ECLI:NL:RBNNE:2022:4191
Rechtbank Noord-Nederland · 03-11-2022 · zaaknummer LEE 22/920
Inhoudsindicatie
De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder eisers bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 10 november 2021 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij beantwoordt die vraag bevestigend. Niet in geschil is dat eisers reactie op dat besluit niet binnen de bezwaartermijn is ingediend. De rechtbank is van oordeel dat de stellingen van eiser geen grond vormen om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen. Hoewel te begrijpen is dat eiser tijdens de bezwaartermijn een drukke en moeilijke periode heeft doorgemaakt en de situatie als gevolg van het feit dat hij griep kreeg lastig voor hem was, ontslaan die omstandigheden hem niet van zijn verantwoordelijkheid om op tijd op het primaire besluit te reageren. Daarbij betrekt de rechtbank dat verweerder eiser in dat besluit uitdrukkelijk heeft gewezen op de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen binnen zes weken na de datum van dat besluit. Ook betrekt de rechtbank dat eiser heeft aangegeven zich te beseffen dat bezwaar maken tijdens die termijn belangrijk was. Daarnaast betrekt de rechtbank dat niet gebleken is dat eiser geen mogelijkheid had om een andere persoon, bijvoorbeeld zijn zoon of schoondochter, te machtigen om namens hem tijdig een (pro forma) bezwaarschrift in te dienen. Daarbij slaat de rechtbank acht op het feit dat eiser tijdens de bezwaartermijn heeft nagedacht om bij zijn zoon en dochter langs te gaan om aldaar de computer te gebruiken, maar daarvan heeft afgezien omdat hij ziek was. Dat verweerder lang over de behandeling van eisers aanvraag heeft gedaan, maakt deze omstandigheden niet anders. Ook maakt die lange behandeling niet dat eiser de wettelijke bezwaartermijn van zes weken opzij kan schuiven. Uit de Memorie van Toelichting bij de Tijdelijke wet Groningen volgt dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de bepalingen van hoofdstuk 6 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing te verklaren op het bezwaar dat door de aanvrager kan worden ingesteld tegen een besluit van verweerder. Ook is er uitdrukkelijk voor gekozen om vast te houden aan de bezwaartermijn van zes weken. Dat eiser het op inhoudelijke gronden niet met het besluit van 10 november 2021 eens is, leidt evenmin tot een ander oordeel omdat die gronden geen betrekking hebben op de vraag of het verschoonbaar is dat hij te laat bezwaar heeft gemaakt tegen dat besluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
