ECLI:NL:RBNNE:2020:3443
Rechtbank Noord-Nederland · 15-10-2020 · zaaknummer AWB LEE - 17 _ 2457, 17 _ 2458 en 17 _ 2459
Inhoudsindicatie
In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor de jaren 2009, 2011 en 2012. Op grond van de toepasselijke aanwijsregels van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst is op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing van 24 juli 2009 tot en met 31 december 2009 en 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012. Niet in geschil is dat op eiser in de periode 1 januari 2009 tot en met 6 juli 2009 de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat uit het arrest de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235) volgt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004, en het daarmee verband houdende procedurevoorschrift van artikel 18 van Vo 987/2009, niet hoeft te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht. Hetzelfde geldt voor artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode voor 1 mei 2010). De rechtbank oordeelt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004 (regularisatie) niet hoeft toe te passen. Hij is daar ook niet toe bevoegd. Hetzelfde geldt voor artikel 13, eerste lid, van het Rijnvarendenverdrag (voor de periode voor 1 mei 2010). De rechtbank oordeelt dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van zijn besluiten. Uit voorgaande oordelen volgt dat verweerder van eiser terecht premie voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft geheven. Eiser heeft vervolgens gesteld dat de door zijn Luxemburgse werkgever ingehouden premies als voorheffing verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing of dat deze premies in aftrek moeten worden gebracht op grond van artikel 3.16 van de Wet IB. De rechtbank oordeelt alleen Nederlandse premies volksverzekeringen voor verrekening in aanmerking komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Luxemburgse werkgever premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft ingehouden. Artikel 3.16 ziet op de bepaling van de fiscale winst. Er is geen grond om dit artikel ook toe te passen ter bepaling van het belastbaar loon. Er is geen grond voor verrekening van de door de Luxemburgse werkgever ingehouden premies. De beroepen zijn ongegrond. Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding omdat de (beroeps)procedure te lang heeft geduurd. De immateriële schadevergoeding bedraagt € 6.000. Enkel de instemming van gemachtigde van eiser met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de redelijke termijn wordt verlengd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
