ECLI:NL:RBNNE:2020:3414
Rechtbank Noord-Nederland · 08-10-2020 · zaaknummer AWB LEE - 17 _ 1354
Inhoudsindicatie
In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor de jaren 2013 en 2014. Op grond van de toepasselijke aanwijsregels van de Rijnvarendenovereenkomst is op eiser de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2014. Voor de periode daarna is eiser premieplichtig in Liechtenstein op grond van een A1-verklaring. De rechtbank oordeelt dat uit het arrest de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1235) volgt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004, en het daarmee verband houdende procedurevoorschrift van artikel 18 van Vo 987/2009, niet hoeft te betrekken bij het vaststellen van de verzekerings- en premieplicht. De rechtbank oordeelt dat aan artikel 16 van Vo 987/2009 in eisers geval geen betekening toekomt omdat dit artikel niet ziet op toepassing van de aanwijsregels uit de op eiser van toepassing zijnde Rijnvarendenovereenkomst. De rechtbank oordeelt dat verweerder artikel 16 van Vo 883/2004 (regularisatie) niet hoeft toe te passen. Hij is daar ook niet toe bevoegd. Uit voorgaande oordelen volgt dat verweerder eiser terecht premie voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft geheven. Eiser heeft vervolgens gesteld dat de door zijn Luxemburgse werkgever ingehouden premies als voorheffing verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing of dat deze premies in aftrek moeten worden gebracht op grond van artikel 3.16 van de Wet IB. De rechtbank oordeelt alleen Nederlandse premies volksverzekeringen voor verrekening in aanmerking komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Luxemburgse werkgever premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft ingehouden. Artikel 3.16 ziet op de bepaling van de fiscale winst. Er is geen grond om dit artikel ook toe te passen ter bepaling van het belastbaar loon. Er is geen grond voor verrekening van de door de Luxemburgse werkgever ingehouden premies. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding omdat de (beroeps)procedure te lang heeft geduurd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
