ECLI:NL:RBNNE:2019:3296
Rechtbank Noord-Nederland · 24-07-2019 · zaaknummer LEE 18/1056 en LEE 18/2067
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft besloten om twee verzoeken om intrekking van vergunningen van 23 juni 2008, 7 april 2011 en 23 augustus 2011 voor een biomassavergistingsinstallatie op het perceel Botniaweg 6 te Marrum af te wijzen en die vergunningen niet in te trekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij niet op grond van artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo gehouden was om de drie vergunningen in te trekken. Niet aannemelijk is geworden dat niet redelijkerwijs door voorschriften te wijzigen kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Daarbij is van belang dat uit de vergunningen volgt dat in 2008 en 2011 is getoetst aan de beschikbare BBT-referentiedocumenten. Ook is van belang dat de Handreiking (co-)vergisting van mest van september 2010 thans in de wet- en regelgeving nog steeds is aangewezen als BBT-document voor mestvergistingsinstallaties. Met verweerder acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de inrichting kan gaan voldoen aan de Handreiking, dan wel dat met wijziging van voorschriften aan de BBT kan worden voldaan. De stellingen van eisers doen geen afbreuk aan de mogelijkheden die artikel 2.31 van de Wabo verweerder biedt. Daar komt bij dat namens de vergunninghouder ter zitting is aangegeven dat zij alle mogelijkheden voor het perceel nog onderzoekt en daarbij de vergunningen betrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om in dit geval geen gebruik te maken van zijn intrekkingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Verweerder heeft in zijn afweging voorop kunnen stellen dat het belang van rechtszekerheid zwaar meeweegt nu sprake is van onherroepelijke vergunningen. Voorts is van belang hetgeen hiervoor over BBT-toepassingsmogelijkheden is overwogen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat niet zeker is dat van de vergunningen geen gebruik zal worden gemaakt. Voorts bestaat voor de vergunninghouder de mogelijkheid om een veranderings- of revisievergunning aan te vragen, indien zij de installatie anders wil uitvoeren. Verweerder heeft in redelijkheid zwaar gewicht mogen toekennen aan de belangen van de vergunninghouder bij behoud van de vergunningen. In de stelling van eisers dat verwerving van een groenstrook door de vergunninghouder niet meer mogelijk zou zijn, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om alsnog van zijn bevoegdheid gebruik te maken. Aan de belangen van eisers gemoeid met voorkoming van hinder en benutting van rechtsbeschermingsmogelijkheden heeft verweerder evenmin doorslaggevende betekenis hoeven toekennen. Verweerder zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat de belangen van de vergunninghouder bij behoud van de drie vergunningen prevaleren boven de belangen van eisers bij intrekking daarvan. De beroepen zijn ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
