Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBNNE:2018:4305

Rechtbank Noord-Nederland · 24-10-2018 · zaaknummer LEE 18/2991

BestuursrechtGepubliceerd 25-10-2018
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2018 heeft verweerder de exploitatievergunning en een vergunning op basis van de Drank- en Horecawet voor het café ingetrokken. Daaraan zijn een onderzoek door de politie en een besluit van verweerder tot sluiting van het café voor drie maanden voorafgegaan. Deze zaak gaat echter niet over die sluiting. De voorzieningenrechter zal vooralsnog uitgaan van de juistheid van het besluit tot sluiting en dus ook van de juistheid van de feiten en omstandigheden die daaraan ten grondslag zijn gelegd door verweerder. Dat betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat sprake is van een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet voor de duur van ten minste één maand. Waar verzoekers stellen dat hen geen verwijt gemaakt kan worden met betrekking tot die sluiting volgt de voorzieningenrechter hen niet. Zij zijn leidinggevenden in het café en dus verantwoordelijk voor wat zich daar heeft afgespeeld. De voorzieningenrechter acht het niet aannemelijk dat verzoekers in het geheel geen weet gehad hebben van gebruik en handel in drugs in en rond het café. Ze zijn er door de politie op gewezen in december 2017, hebben kunnen zien wat er in het café gebeurde en hebben niet aannemelijk gemaakt dat hen in het geheel geen verwijt gemaakt kan worden voor de handel in harddrugs en het gebruik daarvan door personeelsleden en bezoekers. Verweerder heeft hen op goede gronden verantwoordelijk gehouden voor wat er in hun café gebeurt. Dit betekent dat verweerder er voor zijn besluitvorming vanuit mocht gaan dat verzoekers niet langer voldoen aan de eis die gesteld is in artikel 5 van het Besluit eisen zedelijk gedrag DHW 1999 en daarmee ook niet aan de eis die gesteld is in artikel 8 van de Drank- en Horecawet. Verweerder was dus op grond van artikel 31, aanhef en eerste lid, van de DHW gehouden over te gaan tot intrekking van de DHW-vergunning van verzoekers. Ruimte voor een afweging van belangen is er daarbij niet. Voorts gaat de voorzieningenrechter er vooralsnog ook van uit dat gehandeld is in strijd met voorwaarde 8 van de exploitatievergunning. Dat verzoekers stellen ervan geen weet te hebben gehad dat er werd gehandeld in harddrugs, neemt niet weg dat zij als leidinggevenden wel verantwoordelijk zijn voor de gang van zaken in hun onderneming. Op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening is verweerder bevoegd over te gaan tot intrekken van de exploitatievergunning als de voorwaarden van de vergunning zijn overtreden. Tenslotte overweegt de voorzieningenrechter dat van een dubbele bestraffing geen sprake is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • de gemeente Súdwest-Fryslân

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • de gemeente Súdwest-Fryslân

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.