Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBNNE:2017:463

Rechtbank Noord-Nederland · 31-01-2017 · zaaknummer 18/830157-15

StrafrechtGepubliceerd 15-02-2017
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Met betrekking tot het ontvankelijkheidsverweer: De rechtbank stelt voorop dat in art. 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. In uitzonderlijke situaties is de niet-ontvankelijkheid als rechtsgevolg op overheidsoptreden ook mogelijk wanneer het gaat om handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt. Op basis van de voorliggende stukken is de rechtbank niet gebleken dat in onderhavige zaak sprake is van willekeur of misbruik van procesrecht. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. Met betrekking tot het bewijs: De rechtbank overweegt dat uit artikel 27 Sv volgt dat, voordat de vervolging is aangevangen, als 'verdachte' kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit voortvloeit. De rechtbank dient thans te beoordelen of in casu ten aanzien van verdachte sprake kon zijn geweest van een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit. Uit de geschetste gang van zaken blijkt dat de politie het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte, zonder enige toetsing of nader onderzoek naar de betrouwbaarheid, heeft gebaseerd op een niet ondertekend conceptrapport van een door aangever ingeschakeld bedrijfsrecherchebureau. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in dit verband desgevraagd nog verklaard dat er tijdens het door het bedrijfsrecherchebureau uitgevoerde onderzoek door politie en/of justitie geen onderzoekshandelingen zijn gepleegd. Hoewel de vraag of opsporingsfunctionarissen een 'redelijk vermoeden' mochten koesteren door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst, kan naar het oordeel van de rechtbank hetgeen in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegen aan de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126n Sv, die toets niet doorstaan. Dit leidt ertoe dat al hetgeen naar aanleiding hiervan is verkregen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Hetgeen resteert is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.