ECLI:NL:RBNNE:2016:1420
Rechtbank Noord-Nederland · 30-03-2016 · zaaknummer LEE 14/5030
Inhoudsindicatie
De rechtbank heeft het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit 1, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang. Eiser is Rijnvarende en op hem is de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. Eiser vraagt op grond van artikel 16 van Verordening (EG-) 883/2004 voor het jaar 2011 om toepassing van de Luxemburgse wetgeving. Ingevolge artikel 18 van Verordening (EG-) 883/2004 moet een dergelijk verzoek worden ingediend bij de bevoegde autoriteit waarvan de betrokkene toepassing wenst, in dit geval de Luxemburgse autoriteit. Niet in geschil is dat verweerder het verzoek van eiser van 5 maart 2014 op grond van artikel 18 van Verordening 987/2009 had moeten doorzenden aan de bevoegde Luxemburgse autoriteiten. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd, omdat verweerder met het nemen van het bestreden besluit 2 op het door eiser ingediende verzoek om een regularisatieovereenkomst af te sluiten met de bevoegde Luxemburgse autoriteiten, inhoudelijk al heeft beslist. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit 2 onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd. Hiertoe is overwogen dat zonder deugdelijke motivering niet valt te begrijpen waarom verweerder het verzoek van eiser om een regularisatieovereenkomst af te sluiten met de bevoegde Luxemburgse autoriteit opeens afwijst, terwijl eerdere verzoeken wel zijn gehonoreerd. Verder is overwogen dat, nu verweerder geen kenbaar beleid als bedoeld in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb, heeft vastgesteld ten aanzien van een verzoek om een regularisatieovereenkomst af te sluiten, dit niet op het verzoek van eiser over 2011 kan worden toegepast. Daardoor is niet toetsbaar op welke gronden de aanvraag van eiser is afgewezen. Het door verweerder met terugwerkende kracht toepassen van het (niet in beleidsregels neergelegd) beleid acht de rechtbank in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Daarbij is van belang geacht dat in het (interne) beleid geen overgangsrecht is opgenomen. Het had op de weg van verweerder gelegen om in het bestreden besluit 2 te verwijzen naar het per 2013 gevoerde beleid, zodat (de gemachtigde van) eiser daarop in beroep inhoudelijk had kunnen reageren. Dit betekent dat de pas (ter zitting door de gemachtigden van verweerder gegeven) nadere motivering die aan het bestreden besluit 2 ten grondslag ligt, gebrekkig is en het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat eiser uit de brieven van de Belastingdienst uit 2009 en 2010 niet heeft hoeven te begrijpen dat hij voor het jaar 2011 in Nederland premieplichtig zou zijn. De rechtbank heeft het beroep, voor zover gericht het bestreden besluit 2, gegrond verklaard en dit besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
