ECLI:NL:RBNHO:2025:2820
Rechtbank Noord-Holland · 17-03-2025 · zaaknummer 23/4774
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft het verzoek van eiseressen om de natuurvergunning van vergunninghouder (een melkveehouder) in te trekken, afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek op ontoereikende gronden heeft afgewezen en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Over artikel 5.4, eerste lid, sub c, Wnb overweegt de rechtbank dat uit de vaststelling in de natuurvergunning uit 2014 volgt dat significante gevolgen voor Natura-2000 gebieden als gevolg van (extra) stikstofemissie door de melkveehouderij en daaruit volgende stikstofdepositie op (met stikstof reeds overbelaste) habitats in die gebieden niet (geheel) is uitgesloten. Dat verweerder die stikstofdepositiebijdrage toen gering achtte, kan (en kon) echter niet afdoen aan de verplichting op grond van de artikelen 19f, eerste lid, en 19g, eerste lid, Nbw (uitgelegd in het licht van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn), om een passende beoordeling te maken. Een dergelijke passende beoordeling heeft echter niet plaatsgevonden. Dat betekent dat de natuurvergunning in 2014 in strijd met de wettelijke voorschriften is verleend. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Verweerder moeten opnieuw beoordelen of dat reden is voor intrekking. Hij zal daartoe moeten nagaan of een passende beoordeling al dan niet meebrengt of de vergunning in stand kan blijven. De rechtbank merkt daarbij op, dat, als deze grond in beginsel tot intrekking leidt, verweerder vervolgens nog een belangenafweging kan maken of daadwerkelijk tot (gehele of gedeeltelijke) intrekking moet worden over gegaan. De afwijzing van het verzoek van eiseressen om tot intrekking over te gaan op grond van artikel 5.4, eerste lid, sub d van de Wnb kan de rechtbank volgen. Er is niet sprake van zodanige gewijzigde omstandigheden dat de vergunning niet zou zijn verleend indien deze omstandigheden ten tijde van de verlening bestonden. Tot slot oordeelt de rechtbank over het verzoek tot intrekking op grond van artikel 5.4, tweede lid, Wnb dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting om uit te leggen welke andere passende maatregelen worden getroffen die kunnen onderbouwen dat wordt afgezien van het intrekken of wijzigen van de natuurvergunning, binnen welk tijdpad deze maatregelen worden uitgevoerd en wanneer verwacht wordt dat deze effectief zijn. Het beroep is daarom gegrond.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
