ECLI:NL:RBNHO:2023:7967
Rechtbank Noord-Holland · 17-08-2023 · zaaknummer HAA 22/4063
Inhoudsindicatie
Het besluit om een omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan te verlenen, betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Het primaat dienaangaande ligt bij verweerder. De rechtbank dient het door verweerder genomen besluit terughoudend te toetsen en kan geen eigen oordeel geven over het bouwplan. Anders gezegd; alleen indien het besluit apert onjuist is of evident in strijd is met het recht, kan de rechtbank ingrijpen. De beoordeling is daarom beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan is verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2, van de Wabo bezien in samenhang met artikel 4 aanhef en onder 1, van het Bor en ziet op de activiteit het gebruiken van gronden in strijd met het bestemmingsplan in de zin van artikel 2.1 aanhef en onder c, van de Wabo. […] Voor wat betreft het betoog van eiser dat de spouwmuur niet kan ventileren, heeft verweerder in zijn reactie in het verweerschrift aangegeven dat niet verwacht hoeft te worden dat het deel van de spouwmuur waaraan de berging van [vergunninghouder] grenst geventileerd hoeft worden omdat dat gedeelte van de muur nog nauwelijks last heeft van weersinvloeden. De rechtbank vindt dit standpunt niet onredelijk. Het betoog van eiser kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Het betoog van eiser dat hij last heeft van muizen in zijn berging omdat deze via de stootvoegen naar binnen komen, kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is geworden dat het ontbreken van ventilatieroosters de reden is van de muizenoverlast is en dat eventuele muizenoverlast ook op andere wijze bestreden kan worden. Blijkens het verweerschrift wordt de berging gebruikt voor opslag van tuinmeubilair en dergelijke. Voor zover eiser zo nu en dan wat geschuif met tuinmeubilair hoort, kan dat in redelijkheid niet tot de conclusie leiden dat met verlening van de omgevingsvergunning onevenredige afbreuk wordt gedaan aan zijn woonsituatie. Hetgeen eiser op dat punt heeft aangevoerd, wordt verworpen. Voorts kan ook het betoog van eiser dat de verleende omgevingsvergunning leidt tot een waardedaling van zijn woning omdat geen sprake meer is van twee vrijstaande woningen, maar van geschakelde woningen, niet leiden tot het daarmee beoogde doel. In de eerste plaats motiveert verweerder in het verweerschrift voldoende draagkrachtig dat deze situatie nog niet betekent dat geen sprake meer is van twee vrijstaande woningen. Hier komt bij dat de gestelde oorzaak van de gestelde waardedaling niet met bijvoorbeeld een rapport van een beëdigd taxateur is onderbouwd en daardoor niet aannemelijk is gemaakt. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, betekent het enkele feit dat eiser geen toestemming wil geven voor de bouw van de berging niet dat moet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
