Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBNHO:2022:8936

Rechtbank Noord-Holland · 17-10-2022 · zaaknummer 18/876 t/m 18/878

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 10-10-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Eiseres is een Nederlandse vennootschap die behoort tot een internationaal opererend tabaksconcern. Aan eiseres zijn navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting opgelegd naar belastbare bedragen van € 196.001.385 (2008), € 220.624.304 (2009) en € 179.896.349 (2010), en is een vergrijpboete opgelegd over het jaar 2010 van € 477.624. Het geschil spitst zich telkens toe op de vraag of de vergoedingen die diverse concernvennootschappen voor leveringen en diensten in rekening hebben gebracht als zakelijk kunnen worden aangemerkt. Ter financiering van hun activiteiten hebben de concernvennootschappen beursgenoteerde obligaties uitgegeven onder het zogenoemde EMTN Programme van het tabaksconcern, waarvoor de moedermaatschappij in het Verenigd Koninkrijk zich garant heeft gesteld. Eiseres heeft daarvoor jaarlijks een garantie fee betaald aan de moedermaatschappij van ongeveer € 35.000.000. De rechtbank oordeelt dat: - de garantie fees geen uitgaven zijn die hun oorsprong vinden in de aanvaarding van aansprakelijkheid door eiseres voor schulden van een gelieerde vennootschap; - het EMTN Programme geen kredietarrangement is in de zin van het Paraplukredietarrest (ECLI:NL:HR:2013:BW6520); - verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen niet van de winst afhankelijke vergoeding kan worden bepaald waartegen een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde aansprakelijkheid te aanvaarden onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden; - verweerder wel aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres als ‘core vennootschap’ van het tabaksconcern een impliciete garantie van de moedermaatschappij geniet waarvoor geen vergoeding dient te worden betaald omdat van een concerndienst geen sprake is; - eiseres geen stellingen heeft aangevoerd die het uit de omvang van de correcties (de gehele garantie fee) volgende geobjectiveerde vermoeden van bewustheid kunnen weerleggen, dat het nadeel dat eiseres ondervindt als gevolg van de betaling van de garantie fees zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid met haar moedermaatschappij, - verweerder niet in redelijkheid behoefde te twijfelen aan de juistheid van de in de aangiften opgenomen gegevens over de garantie fees, zodat verweerder geen ambtelijk verzuim heeft begaan; - verweerder geen uitdrukkelijke toezegging heeft gedaan, inlichting heeft verstrekt of de gerechtvaardigde indruk van een bewuste standpuntbepaling heeft gewekt als gevolg waarvan eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Een van de concernvennootschappen heeft factoringdiensten aan eiseres verricht. De daarvoor jaarlijks in rekening gebrachte factoring fee van € 2.500.000 bevat een risicovergoeding ter dekking van het debiteurenrisico - exclusief een dubieuze debiteur - en een jaarlijkse vergoeding van € 1.200.000 voor overige diensten. De rechtbank stelt vast dat het debiteurenrisico – inclusief de dubieuze debiteur - op de markt te verzekeren is voor € 438.000, en leidt daaruit af dat een onafhankelijke derde niet bereid zou zijn de risicovergoeding te betalen. Gelet op het grote aandeel van de risicovergoeding kwalificeert de rechtbank de gehele factoring fee als onzakelijk. De rechtbank overweegt dat de volgens de aangifte ter zake van de factoring fees verschuldigde belasting zelfstandig beoordeeld niet aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. De rechtbank overweegt verder dat de ter zake van de factoring fees en garantie fees tezamen verschuldigde belasting wel aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, en de bedragen zijn op zichzelf beschouwd aanzienlijk. Omkering en verzwaring van de bewijslast blijft echter achterwege omdat de daarvoor vereiste subjectieve bewustheid ontbreekt. De rechtbank oordeelt dat bij de correctie van verrekenprijzen geen sprake is van strijd met het Europees recht. Uit het Hornbacharrest (ECLI:EU:C:2018:366) volgt dat het VWEU in beginsel niet in de weg staan aan een regeling zoals vervat in artikel 8b van de Wet Vpb. Eiseres had zonder buitensporige administratieve moeite aannemelijk kunnen maken dat de transacties zijn overeengekomen om commerciële redenen die voortvloeien uit de aandeelhoudersband met de daarbij betrokken concernvennootschappen, maar zij heeft dergelijke redenen niet aangevoerd. De rechtbank oordeelt ten slotte dat eiseres wist dat de gehele debiteurenportefeuille op de markt te verzekeren was voor € 438.000, en door de in verhouding veel hogere factoring fees in aftrek te brengen wist dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank oordeelt dat van een pleitbaar standpunt geen sprake is en acht dat de boete in beginsel passend en geboden, zij het dat deze wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en vermindert de boetebeschikking.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • Belastingdienst

    verweerder · overheid

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

Overheidspartijen

  • Belastingdienst

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.