Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBNHO:2022:8318

Rechtbank Noord-Holland · 01-09-2022 · zaaknummer AWB 21_296

Bestuursrecht; AmbtenarenrechtGepubliceerd 19-09-2022
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Na de uitspraak van de Raad van 1 november 2018, waarmee het ontslag van verzoekster is vernietigd, is verweerder overgegaan tot nabetaling van het salaris en andere emolumenten aan eiseres. In totaal heeft verweerder € 168.546,– bruto (€ 104.317,– netto) nabetaald. Partijen hebben in september 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Verzoekster heeft verweerder aansprakelijk gesteld voor de geleden en te lijden schade als gevolg van de – inmiddels vernietigde en herroepen – besluiten tot (straf)ontslag. Bij brief van 3 september 2020 heeft verzoekster dit geconcretiseerd en verweerder aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 307.309,94 en € 8.500,– exclusief kantoorkosten en btw. Op 3 september 2020 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding in zijn geheel afgewezen De rechtbank wijst af de verzoeken om A. vermogensschade, B. belastingschade, C. pensioenschade en D. toekomstige inkomens- en pensioenschade. De rechtbank wijst toe de verzoeken om vergoeding van E1. de gemaakte juridische kosten, E2. de kosten vaststelling schade en F: immateriële schade. De rechtbank is ten aanzien van E1. de gemaakte juridische kosten van oordeel dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet. Verweerder heeft door zijn hardnekkige houding verzoekster nodeloos in een positie gebracht waarin zij steeds het standpunt van verweerder moest bestrijden en ook voor het onderhavige verzoekschrift proceskosten heeft moeten maken. Daarmee is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbp, die aanleiding geven om verzoekster een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Bbp. De rechtbank wijst onderdeel E1 van het verzoek toe tot een bedrag van € 12.242,06. De rechtbank van ten aanzien van E2. de kosten vaststelling schade van oordeel dat het voorstelbaar is dat de schade die is ontstaan door het onrechtmatige besluit moest worden onderzocht. De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek tot vergoeding van de gestelde kosten toe te wijzen, maar te matigen tot een bedrag van € 7.500,–. De rechtbank wijst ook toe F: immateriële schade. Uit de omstandigheden blijkt genoegzaam dat van geestelijk letsel sprake is. Verzoekster heeft tot tweemaal toe tot de hoogste instantie moeten procederen om haar gelijk te krijgen, omdat verweerder tweemaal een onrechtmatig besluit heeft genomen. Daardoor heeft zij ruim 4,5 jaar in onzekerheid geleefd. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat zij leeft voor haar kinderen en de gevolgen van de inmiddels vernietigde en herroepen besluiten haar zwaar vallen. De rechtbank is van oordeel dat de schadepost voor vergoeding in aanmerking komt, zij het tot een bedrag van € 1.500,–.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [verzoekster]

    verzoekster · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.