ECLI:NL:RBNHO:2022:8216
Rechtbank Noord-Holland · 25-07-2022 · zaaknummer AWB - 21 _ 2591 em 21_3177
Inhoudsindicatie
Procedure 21/2591 Verweerder heeft eiser in het bestreden besluit verlengde jeugdhulp toegekend en daarbij voornoemd artikel 3.2. (van de Verordening Jeugdhulp Oostzaan 2018) toegepast. Dat betekent dat aan eiser hoogspecialistische jeugdhulp is toegekend, bestaande uit jeugdhulp met verblijf. (..) De rechtbank stelt vast dat verweerder in zijn e-mail van 7 januari 2021 stelt dat een snel beschikbare oplossing in de vorm van een woonunit op het erf van de mentoren noodzakelijk is. (…) Daarmee staat de noodzaak van de realisatie van een passende woonvoorziening voor eiser en een buddy op het erf van de mentoren vast. Verder staat vast dat verweerder anderhalf jaar geleden al heeft geschreven te zien dat de situatie teveel vraagt van de mentoren als verzorgers van eiser en dat verweerder een snel beschikbare oplossing noodzakelijk vindt (…) De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit, waarin verlengde jeugdhulp met verblijf is toegekend met de mededeling dat er nog verder overleg plaatsvindt, geen stand kan houden. Er is sprake van een tijdsverloop van inmiddels meer dan vijf jaar en de voorziening is er nog steeds niet. De toekenningbeslissing voor die passende woonvoorziening is inmiddels bijna twee jaar oud, partijen zijn het (inmiddels) eens over wat op dit moment als een passende woonvoorziening voor eiser kan worden beschouwd en partijen zijn het erover eens dat de mentoren als verzorgers van eiser al langere tijd overbelast zijn. Verweerder heeft in het bestreden besluit (en ook daarna) nagelaten nader te motiveren en te concretiseren op welke wijze en in welke vorm de passende woonvoorziening voor eiser kan worden gerealiseerd. (…) De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 7:12, eerste lid van de Awb. Gelet op de verstreken tijd, het feit dat eiser zijn recht op een passende woonvoorziening niet langer mag worden onthouden en het essentieel is dat de mentoren als zijn verzorgers en steun en toeverlaat niet gaan wegvallen door langdurige overbelasting, zal de rechtbank op onorthodoxe wijze een einde maken aan het geschil. De rechtbank doet dit door naar redelijkheid bedragen vast te stellen die verweerder dient te voldoen aan (de bewindvoerder van) eiser, zodat de mentoren een passende woonvoorziening voor eiser kunnen realiseren op eigen erf. De rechtbank merkt daarbij op dat deze zaak zo specifiek is, dat de rechtbank niet ziet hoe deze uitspraak (snel) zal kunnen leiden tot precedentwerking, voor welk aspect verweerder aandacht heeft gevraagd. (…). Omdat de mentoren inmiddels zelf de realisatie van de uit- en aanbouw ter hand hebben genomen en deels al hebben laten uitvoeren, terwijl het om een woonvoorziening op hun erf gaat, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder de kosten daarvan vergoedt aan eiser. De rechtbank bepaalt dat verweerder de volledige kosten van de al gerealiseerde uitbouw van het tuinhuis van € 34.000,00 en de kosten voor het aanbrengen van de fundering van de aanbouw van € 13.000,00 moet vergoeden. Daarnaast zal verweerder de geraamde kosten van de aanbouw van de woning van € 85.000,00 dienen te vergoeden, op het moment dat deze aanbouw is gerealiseerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij de toerekening van deze kosten aan verweerder rekening te houden met de omstandigheid dat ten gevolge van deze uitbouw van het tuinhuis en aanbouw aan de woning, de woning van de mentoren in waarde zal toenemen. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat de mentoren eiser al vanaf 1 juli 2020 onderdak en zorg hebben gegeven zonder daarvoor een passende vergoeding te ontvangen. De vergoeding voor opvang van een jeugdige in een gespecialiseerde woonvoorziening bedraagt – zo heeft de medewerker van Levvel ter zitting onweersproken verklaard – € 300,00 tot € 600,00 per dag. (..) Procedure 21/3177 Met de brief van 12 augustus 2020 heeft eiser uitdrukkelijk zijn beklag gedaan dat nog steeds niet was beslist op de aanvraag voor het realiseren van een passende woonvoorziening en dat hij daartegen in beroep wilde gaan bij de bestuursrechter. Hoewel uit de inhoud van deze brief voor verweerder al duidelijk had moeten zijn dat eiser in beroep wilde gaan tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag, heeft eiser dat vervolgens nogmaals uitdrukkelijk te kennen gegeven in zijn e-mail van 8 juni 2021. Hieruit volgt dat, ondanks wellicht goede bedoelingen van verweerder bij de gekozen handelwijze, het de taak van verweerder was om met inachtneming van zijn doorzendplicht als bedoeld in artikel 6:15, eerste en tweede lid, van de Awb de brief van 12 augustus 2020 onverwijld door te sturen naar de rechtbank. Hieruit volgt dat verweerder niet bevoegd was te beslissen op deze brief als zijnde een bezwaarschrift en dat verweerder het bezwaar daarom ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. (…)
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oostzaan
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
