ECLI:NL:RBNHO:2021:504
Rechtbank Noord-Holland · 22-01-2021 · zaaknummer 20-6088 en 20-6087
Inhoudsindicatie
Enige fracties in de gemeenteraad van Den Helder hebben op 23 januari 2020 een initiatiefvoorstel ingediend bij de raad om het college van b&w op te dragen een bestemmingsplan voor te bereiden voor het historisch nautisch kwartier in Den Helder, zodat de gemeenteraad zich kan buigen over de vraag of het gewenst is daar een nieuw stadskantoor te vestigen. De raad heeft dat voorstel op 11 mei 2020 verworpen. SBCE Den Helder heeft tegen die beslissing van de raad bezwaar gemaakt. De raad heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is het met de raad eens dat de verwerping geen besluit is waartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht bezwaar kan worden gemaakt, zodat SBCE terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Nadere juridische motivering De verwerping van het initiatiefvoorstel op 11 mei 2020 is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De beslissing van de raad om niet over te gaan tot herziening van het bestemmingsplan, althans de beslissing om het college van burgemeester en wethouders daartoe geen opdracht te geven, brengt geen wijziging teweeg in de rechtspositie van enig persoon. Anders gezegd: als gevolg van deze beslissing ontstaat geen bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen en wordt ook geen bevoegdheid, recht of verplichting teniet gedaan. Er wordt immers door de verwerping van het voorstel juist geen verplichting aangegaan of opgelegd. Ook wordt daarmee niet de juridische status van een persoon of een zaak vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de verwerping van het voorstel om het college van burgemeester en wethouders op te dragen om te stoppen met inventariserende voorbereidingshandelingen ten behoeve van de bouw van het stadskantoor. De voorzieningenrechter merkt daar nog bij op dat artikel 1:3, tweede lid, Awb geen aanleiding kan geven voor een andere beoordeling. In dat artikelonderdeel wordt met een besluit gelijkgesteld de afwijzing van een aanvraag. In die situatie verandert er weliswaar ook niets in de rechtspositie van een ander, maar het verworpen initiatiefvoor-stel kan niet worden aangemerkt als een aanvraag tot bijvoorbeeld het nemen van een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 3.7, eerste lid, Wro. Het initiatiefvoorstel is geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb, omdat een door een aantal fracties in de raad binnen dit politiek orgaan ingediend voorstel niet kan worden aangemerkt als een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen. Een aanvraag kan enkel worden gedaan door een belanghebbende die geen onderdeel is van dat bestuursorgaan. Fracties in de gemeenteraad maken onderdeel uit van dat bestuursorgaan en zijn daarom geen belanghebbende in de zin van dat artikelonderdeel. De verwerping van het initiatiefvoorstel kan derhalve ook niet als afwijzing met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht worden gelijkgesteld. De voorzieningenrechter merkt voorts nog op, dat, hoewel de raad dat ter zitting heeft bestreden, zeer goed verdedigbaar is dat het eerste onderdeel van het initiatiefvoorstel moet worden opgevat als een voorstel om een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 3.7 Wro te nemen. Als dat voorstel wel was aangenomen, dan was (bezwaar en) beroep daartegen - ook - uitgesloten op grond van artikel 8.5 Awb in verband met artikel 1 van Bijlage 2 bij die wet, waarin artikel 3.7 Wro ook is opgenomen. In artikel 8.5 Awb is beroep tegen de besluiten die zijn genoemd in die bijlage uitgesloten van beroep. A fortiori zou beroep tegen de afwijzing van een verzoek om een voorbereidingsbesluit te nemen daarom ook niet zijn onderworpen aan bezwaar en beroep. […] Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de beslissing van de raad tot verwerping van het initiatiefvoorstel geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Nu uitsluitend bezwaar kan worden gemaakt tegen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in haar bezwaren kan worden ontvangen. Verweerder heeft derhalve het bezwaar op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
Stichting Behoud Cultureel Erfgoed Den Helder
eiseres · bedrijf
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
