ECLI:NL:RBNHO:2019:5125
Rechtbank Noord-Holland · 17-06-2019 · zaaknummer AWB - 19 _ 605
Inhoudsindicatie
Een schuld hoeft niet onmiddellijk opeisbaar te zijn om deze te kunnen kwalificeren als een in aanmerking te nemen schuld als bedoeld in artikel 34 van de Pw. Waar het om gaat is of eiser in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Ook de stelling van verweerder dat de schuld niet kan worden meegenomen bij het berekening van de actuele vermogenssituatie van eiser, omdat de aflossingsperiode pas ingaat na de periode in geding, volgt de rechtbank niet. De vaste rechtspraak van de CRvB waarnaar verweerder verwijst (onder meer de uitspraak van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRvB:2012:BW6792) ziet namelijk slechts op een manier om te bewijzen dat sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling (in termijnen) van een gestelde schuld. Eiser kan echter ook op andere manieren aannemelijk maken dat hij een daadwerkelijke betalingsverplichting heeft bij zijn vader. Zoals hiervoor al is overwogen, is eiser hierin naar het oordeel van de rechtbank geslaagd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
