ECLI:NL:RBNHO:2017:584
Rechtbank Noord-Holland · 25-01-2017 · zaaknummer AWB - 17 _ 70
Inhoudsindicatie
Tussen partijen is niet in geschil dat het terrein waarop gebouwd wordt, evenals de omliggende percelen, zowel in de breedte als de lengte een glooiend karakter hebben zodat vaststelling van één peil voor het gehele terrein reeds om die reden een enigszins arbitrair karakter zal hebben. De voorzieningenrechter ziet zich gelet hierop gesteld voor de vraag of verweerder het peil heeft vastgesteld op een wijze die past binnen de planvoorschriften. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat gekozen is om het peil te bepalen op een wijze die aansluit bij het maaiveld van de omliggende percelen aan de (adres). De keuze voor de woning (adres), gelegen naast de onderdoorgang, is volgens verweerder een keuze die past bij de loop van het terrein en die aansluit bij andere bepalingen over het peil in de omgeving. Het peil is daarmee bepaald aan de “lagere” kant van het bouwterrein. […] De voorzieningenrechter stelt vast dat de bepalingen uit het bestemmingsplan in dit geval niet leiden tot een eenduidige regel voor het bepalen van het peil. Anders dan verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat uit de term ‘ter plaatse van de entree’ niet automatisch volgt dat hiermee de onderdoorgang is bedoeld. De bewoordingen ‘ter plaatse van de entree’ lijken, net als de rest van de bepaling, veeleer te zien op het bepalen van het peil voor een individuele woning, waarbij de toegang, de weg en de entree van de woning meestal makkelijk te bepalen zijn. Voorts is het bepalen van het peil, uitgaande van het aangrenzend maaiveld, gezien het glooiende karakter van het terrein ter plaatse, ook niet op eenduidige wijze conform de bepalingen uit te voeren. Voor het bepalen van het peil -zoals hiervoor reeds aangegeven- moet een keuze worden gemaakt. De wijze waarop verweerder het peil heeft bepaald, zoals hiervoor beschreven in rechts-overweging 10, is volgens de voorzieningenrechter niet in strijd met de planvoorschriften. Er is geen grond voor het oordeel om de gemaakte keuze onredelijk te achten. Het enkele feit dat uit de aard der zaak ook een andere keuze verdedigbaar was geweest, is onvoldoende om de vaststelling van het peil op de wijze zoals door verweerder gedaan onjuist te achten. […] In artikel 2.5 van de planvoorschriften is aangegeven dat de bouwhoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk (…). Nu hiervoor is vastgesteld dat het peil door verweerder terecht op 3.42 m boven NAP is vastgesteld, terwijl de nullijn geen rol speelt, staat vast dat de bouwhoogte van het bouwplan, zoals ingetekend op de tekeningen van 12 oktober 2016, met een nokhoogte van 10.98 m boven het peil binnen de door het bestemmingsplan toegestane hoogte van 11 m valt. Van bouwen in strijd met de omgevingsvergunning is evenmin sprake, nu het bouwwerk conform de bouwvergunning wordt gebouwd.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
