Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBNHO:2014:309

Rechtbank Noord-Holland · 15-01-2014 · zaaknummer C/14/139837 / ES RK 12-1028

Civiel recht; Personen- en familierechtGepubliceerd 16-01-2014
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Het geschil betreft een echtscheidingsverzoek waarbij partijen nog ingeschreven staan op hetzelfde woonadres. Het oudste en het jongste kind van partijen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de man, het middelste kind van partijen woont bij de vrouw. De vrouw verzoekt een bijdrage voor het kind dat bij haar staat ingeschreven alsook een bijdrage in de zorgkosten die zij heeft ten behoeve van de minderjarigen die bij de man staan ingeschreven omdat zij zelf onvoldoende inkomsten heeft. Voor deze laatste bijdrage heeft de man onvoldoende draagkracht. De rechtbank heeft eerst de behoefte van de minderjarigen vastgesteld. Bij het berekenen van het besteedbaar inkomen van de man, ondernemer, ten tijde van het huwelijk is de rechtbank uitgegaan van de onttrekkingen over de jaren 2006 tot en met 2010. De draagkracht van de man heeft de rechtbank, net als partijen, gebaseerd op het resultaat. De rechtbank is daarbij uitgegaan van een gemiddelde over de jaren 2010 tot en met 2012. De rechtbank heeft het besteedbaar inkomen verminderd met de arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremie en de lijfrentepremie. De rechtbank heeft berekend dat de man een totale draagkracht heeft van € 433,- per maand en de vrouw van € 50,- per maand. De rechtbank acht het redelijk dat de man een bijdrage betaalt ten behoeve van het kind dat bij de vrouw haar hoofdverblijfplaats heeft van € 238,- per maand, zoals de man tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgesteld. De man heeft dan geen draagkracht meer om een bijdrage aan de vrouw te betalen in de zorgkosten die zij heeft voor de kinderen die hun hoofdverblijfplaats bij de man hebben. Met betrekking tot het verzoek van de vrouw een partnerbijdrage vast te stellen is de rechtbank van mening dat de man zich pas tijdens de mondelinge behandeling op het standpunt heeft gesteld dat de vrouw haar behoefte niet kan baseren op de zogenaamde hofmethode. De rechtbank gaat aan deze stelling van de man voorbij. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoefte heeft aan de door haar verzochte partnerbijdrage. De rechtbank heeft vervolgens berekend dat de man, met name gelet op de kosten die hij maakt ten behoeve van de kinderen, onvoldoende draagkracht heeft om een partnerbijdrage aan de vrouw te betalen.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.