ECLI:NL:RBNHO:2014:2539
Rechtbank Noord-Holland · 21-03-2014 · zaaknummer 15/700765-12 (hoofdzaak)
Inhoudsindicatie
Promis; bekennende verdachte; bewezenverklaring hennepteelt 1814 hennepplanten; verwerping verweer redelijke termijn; strafoplegging. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bedrijf hebben van een grote hennepkwekerij voorzien van 1814 hennepplanten in een pand dat bekend staat als het Dolfirama, zijnde een voormalig dolfinarium, te Zandvoort. Verdachte heeft hierbij kennelijk uit louter financieel gewin gehandeld. De hennepteelt en het gebruik van hennep leveren veel maatschappelijke overlast op. Daarbij komt dat deze softdrugs bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Door aldus te handelen heeft verdachte eraan bijgedragen dat de verslavingsproblematiek met alle daarmee vaak gepaard gaande vormen van criminaliteit in stand wordt gehouden. Ten aanzien van strafbare feiten van een dergelijke aard en ernst als de onderhavige acht de rechtbank in beginsel dan ook louter de oplegging van een vrijheidsbenemende straf passend en geboden. De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken. Ten aanzien van de door de raadsvrouw van verdachte bepleitte schending van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat als uitgangspunt dient te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem strafvervolging zal worden ingesteld. De aan verdachte ten laste gelegde hennepkwekerij is op 5 november 2012 aangetroffen en verdachte is diezelfde dag aangehouden, zodat het standpunt van de raadsvrouw dat vorenbedoelde termijn is aangevangen in 2011 naar het oordeel van de rechtbank berust op een misvatting. De rechtbank doet uitspraak op 21 maart 2014, derhalve nog geen twee jaren na aanvang van de redelijke termijn, zodat de redelijke termijn daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet is overschreden en de rechtbank in het kader van de strafoplegging hiermee geen rekening behoeft te houden. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast dient naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren te worden opgelegd.
Advocaten
- M. Mulder
Officier van justitie
- C.J.C. Vos
officier van justitie
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
