ECLI:NL:RBNHO:2014:13061
Rechtbank Noord-Holland · 11-12-2014 · zaaknummer 15/800555-14
Inhoudsindicatie
Veroordeling art. 197 Sr. De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 november 2014 bepaald ‘dat een vóór de datum van inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatietermijn uitgevaardigde ongewenstverklaring slechts met een inreisverbod moet worden gelijkgesteld – in die zin dat zij gebonden moet worden geacht aan de in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur – indien en voor zover de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.’ In het licht van de Terugkeerrichtlijn bezien, vloeit naar het oordeel van de rechtbank uit voornoemde overweging voort dat de in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn vermelde termijn van 5 jaar slechts een aanvang neemt op het moment dat de vreemdeling naar een land buiten het grondgebied van de Europese Unie is uitgereisd. Uit de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich sinds zijn ongewenstverklaring niet buiten de grenzen van de Europese Unie heeft begeven. Om deze reden heeft voormelde termijn van 5 jaar geen aanvang genomen en is de ongewenstverklaring onverkort van kracht indien de Nederlandse overheid zich heeft ingespannen om verdachte uit te zetten. De rechtbank stelt daarbij vast dat reeds tweemaal getracht is verdachte uit te zetten en tot de maatregel van vreemdelingenbewaring is overgegaan.
Advocaten
Officier van justitie
- E. Visser
officier van justitie
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
