ECLI:NL:RBMNE:2020:768
Rechtbank Midden-Nederland · 03-03-2020 · zaaknummer 16/224835-19 (P)
Inhoudsindicatie
De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 26 januari 2019 in Baarn en/of Ulft zich schuldig heeft gemaakt aan het onttrekken van zijn minderjarige dochter aan het gezag van de moeder. Van de door de vader gestelde toestemming van moeder om de dochter mee te laten gaan naar Turkije is geenszins gebleken. De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat verdachte, eenmaal in Turkije, er alles aan heeft gedaan om te frustreren dat zijn dochter terug naar haar moeder in Nederland zou gaan. Zo is hij procedures in Turkije gestart omtrent het gezag en de erkenning van zijn dochter. Verdachte stelt dat zijn dochter - hangende de procedures in Turkije - Turkije niet mag verlaten. De onjuistheid van die stelling blijkt reeds uit de uitspraak van het Turkse hof van 8 november 2019 in de onttrekkingszaak, waarin expliciet is bepaald dat “het feit dat gedaagde een gezagsprocedure is begonnen in Turkije geen grond [is] om de terugzending [van de minderjarige] te weigeren”. Verdachte lijkt zich niet neer te kunnen leggen bij de beslissing dat zijn dochter zo snel mogelijk terug moet naar aangeefster in Nederland. In de uitspraak van het Turkse Hof staat dat duidelijk is geworden dat wat betreft de gezondheid – in geestelijke en psychische zin – het uitermate in het belang van het kind zal zijn om haar leven voort te zetten in Nederland. Verdachte gaat geheel aan het gezondheidsaspect van zijn dochter voorbij en stelt op dit punt slechts ‘dat er goed voor haar wordt gezorgd in Turkije’. Gelet op de aard en de ernst van het feit, de doelbewuste, actieve houding van verdachte om het terughalen van de minderjarige naar Nederland te frustreren, dat nog steeds geen duidelijkheid is wanneer de minderjarige weer met haar moeder in Nederland herenigd kan worden, en het gegeven dat verdachte zich niet lijkt te bekommeren om de lichamelijke en psychische gevolgen voor de minderjarige en haar moeder, acht de rechtbank geen termen aanwezig voor een straf gelijk aan het voorarrest dan wel een deels voorwaardelijke straf. De rechtbank vindt een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. Alles afwegend zal de rechtbank aan verdachte, conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf opleggen van 24 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Advocaten
Officier van justitie
- A. Drogt
officier van justitie
Partijen
[benadeelde]
benadeelde · onbekend
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
