Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBMNE:2015:1064

Rechtbank Midden-Nederland · 23-01-2015 · zaaknummer UTR 14/3189-T

Bestuursrecht; BestuursprocesrechtGepubliceerd 20-02-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Bestuurlijke lus; ambtenarenzaak; afwijzing verzoek tot bevordering; HAP II; mobiliteitsvereiste; aaneengesloten periode; tijdsinterval van 4 maanden; bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid; Samenvatting: Zoals ter zitting is besproken en overigens ook in het bestreden besluit is aangegeven is het idee achter het stellen van de eis van een verplaatsing van ‘12 maanden aaneengesloten’ dat het de medewerker in staat stelt een brede kennis en ervaring op te doen waarbij in deze termijn alle ins en outs binnen het werk geacht worden een keer de revue gepasseerd te zijn. Dat geldt volgens het bestreden besluit zowel voor het organisatorische aspect als het werkinhoudelijke. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn stelling dat daarbij een arbitraire grens van drie maanden tussen verschillende standplaatsen moet worden gehanteerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat de Adviescommissie Mobiliteit een grens van drie maanden heeft getrokken. In het stuk ‘Kaders Mobiliteit’, opgesteld door de Adviescommissie Mobiliteit op 11 juli 2012, is wel het volgende opgenomen: “De periode van minimaal 12 maanden moet aaneengesloten zijn. Is dit niet het geval, dan wordt er kritisch maar ruimhartig naar gekeken. Deeltijd = voltijd (gelijke behandeling).” In het verslag van de overlegvergadering tussen de korpsleiding en de OR van 30 augustus 2012 blijkt voorts dat de korpsleiding achter de ruimhartige toepassing staat, maar bij de stapeling van periodes wel een reële tijdspanne tussen de periodes verwacht, zodat de medewerker in geest en in letter van het eigen werk is weggeweest. Dit beleid is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk, maar de rechtbank ziet in dit beleid geen aanknopingspunten voor het aannemen van een arbitraire grens van drie maanden aan het tijdsverloop. Anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 16 oktober 2014, geregistreerd onder zaaknummer UTR 13/6053 – waaruit overigens niet duidelijk wordt of de redelijkheid van deze arbitraire grens ter discussie is gesteld – acht de rechtbank het stellen van een arbitraire grens van drie maanden aan het tijdsverloop in dit geval geen recht doen aan de omstandigheden van het geval, nu het enkele tijdsverloop niets zegt over de manier waarop de verschillende werkzaamheden, zowel organisatorisch als werkinhoudelijk, worden ervaren. Mogelijk kan tussentijds terugkeren naar de eigen werkplek er juist toe leiden dat de voor- en nadelen van een andere aanpak beter naar voren komen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat eiser van september tot en met december 2011 bij zijn eigen team heeft gewerkt op zichzelf geen reden is waarom hij niet aan het mobiliteitsvereiste zou voldoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, zodat het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • De Korpschef van Politie

    verweerder · overheid

  • [eiser]

    eiser · onbekend

Overheidspartijen

  • De Korpschef van Politie

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.