ECLI:NL:RBMAA:2005:AT5396
Rechtbank Maastricht · 11-05-2005 · zaaknummer 03-700047-05
Inhoudsindicatie
De rechtbank stelt voorop het in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde recht dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft de getuigen à charge te (doen) ondervragen. De Hoge Raad heeft bepaald dat het gebruik van een ambtsedig proces-verbaal, inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d van het EVRM. Van ongeoorloofdheid is in ieder geval geen sprake indien weliswaar geen gelegenheid tot het (doen) ondervragen van de getuige heeft plaatsgevonden, maar wanneer de betwiste verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
