Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBMAA:2001:AD3417

Rechtbank Maastricht · 15-08-2001 · zaaknummer AWB 01 / 972 VWET VV KLR

Bestuursrecht; Bestuursrecht; VreemdelingenrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

1. Awb: Relatieve bevoegdheid; uitleg art. 3a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA). 2. Materieel: Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen (Rva) 1997; oude en nieuwe terugkeerbeleid, overgangsregeling. 1. De president Rb. ’s-Gravenhage (vreemdelingenkamer), zittingsplaats Groningen, heeft in zijn uitspraak van 02-08-2001 (nr. Awb 01/30221) geoordeeld dat per 01-04- 2001 uitsluitend de Rb. 's-Gravenhage bevoegd is te oordelen over beroepen tegen besluiten tot het beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens de Wet COA, ook als deze beëindiging voortvloeit uit een van vóór 01-04-2001 daterende (niet) inwilligende (asiel)beschikking. Dit oordeel is gebaseerd op de tekst van het bij de Invoeringswet Vreemdelingenwet 2000 ingevoerde art. 3a Wet COA .dat -naar de president in voornoemde uitspraak heeft geoordeeld- gelet op de duidelijke bewoordingen waarin dit is gesteld, geen nadere uitleg behoeft, zodat geen betekenis toekomt aan het in die zaak van de zijde van het COA gehouden betoog dat in de MvT bij de Invoeringswet tot uiting zou zijn gebracht dat de vreemdelingenrechter niet bevoegd is indien de beëindiging van de verstrekkingen het gevolg is van een beslissing op een (asiel)aanvraag die nog onder het regime van de tot 01-04-2001 geldende Vreemdelingenwet is ingediend en onherroepelijk is afgewezen. De president is van oordeel dat deze uitleg van art. 3a Wet COA niet te verenigen is met het systeem van rechtsbescherming waarin de Vreemdelingenwet 2000 voorziet. Uit de MvT blijkt dat art. 3a Wet COA betrekking heeft op de bijzondere situatie waarin, niettegenstaande de artt. 44 en 45 van de Vreemdelingwet 2000, er toch nog noodzaak bestaat om een afzonderlijke beslissing over de beëindiging van de COA-verstrekkingen te nemen. Art. 3a Wet COA voorziet erin dat in dergelijke gevallen tegen een alsnog genomen beëindigingbesluit beroep bij de vreemdelingenrechter openstaat. Aangezien het huidige geding niet ziet op een afzonderlijk besluit in de zin van art. 3a Wet COA, is de president met partijen van oordeel dat dit artikel in casu toepassing mist. Nu van het in geding zijnde -beweerdelijke- besluit niet kan worden gezegd dat het een gevolg is van een beslissing op aanvraag op grond van de Vreemdelingenwet 2000, is de president van oordeel dat i.c. de in art. 71 Vreemdelingenwet 2000 opgenomen uitzondering op de in art.l 8:7 Awb getroffen regeling voor de relatieve bevoegdheid van de rechtbanken niet van toepassing is. Gelet op de verblijfsplaats van verzoeker moet dan ook worden geoordeeld dat de kamer voor bestuursrechtelijke zaken van de Rb. Maastricht (relatief) bevoegd kan worden in de hoofdzaak, zodat de president op grond van art. 8:81 Awb bevoegd is het onderhavige verzoek te beoordelen. 2. Mededeling dat de aan verzoeker geboden opvangvoorzieningen, gelet op art. 8.1.c Rva 1997, op 14-06-2001 van rechtswege zijn geëindigd. Art. 8 Rva is sinds zijn inwerkingtreding op 24-12-1997 herhaaldelijk gewijzigd. In dit geval is van belang de bij besluit van 06-12-1999 doorgevoerde wijziging van het artikel (in werking getreden op 11-02-2000), welke wijziging is ingegeven door het eerder bekend gemaakte nieuwe terugkeerbeleid. Onder dit beleid, nader vormgegeven in het zogenaamde Stappenplan 2000, wordt aan uitgeprocedeerde asielzoekers en aan asielzoekers die rechtmatig verwijderbaar zijn, een finale vertrektermijn gegund van 28 dagen. Na afloop van deze termijn van 28 dagen worden de van rijkswege verstrekte voorzieningen van rechtswege beëindigd. Onder het voordien (dat is: voor 01-01-2000) geldende terugkeerbeleid, nader vormgegeven in het Stappenplan 1999, trad dit gevolg niet van rechtswege in, en was er nog een afzonderlijk daartoe strekkend besluit nodig. In artikel II van het besluit van 06-12-1999 is een overgangsregeling neergelegd. Deze overgangsregeling is op verzoeker van toepassing. Aangezien het nieuwe terugkeerbeleid voor de vreemdeling stringenter is dan het oude beleid, dient in zijn belang de interpretatie van de overgangsregeling ook strikter te zijn. Dat brengt met zich mee dat op verzoeker het oude beleid en dus ook het (oude) Stappenplan 1999 van toepassing moet worden geacht. De verstrekkingen ingevolge de Rva 1997 zijn derhalve niet van rechtswege beëindigd. Nu het oude beleid op verzoeker van toepassing moet worden geacht, dient verweerder een afzonderlijk besluit, gericht op het beëindigen van de verstrekkingen, te nemen.

Rechters

Advocaten

  • C.P.M.B. van den Born
  • D. Nobel

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.