Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBMAA:2000:AA8950

Rechtbank Maastricht · 14-11-2000 · zaaknummer AWB 99/1088 WW Z

Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Ook bij een strikte toepassing van art. 16 lid 3 WW dient art. XXI van het overgangsrecht in ogenschouw te worden genomen; Eiser is toekenning van WW-uitkering tot 1 augustus 1999 geweigerd omdat de schadevergoeding welke eiser is toegekend bij ontbinding dienstbetrekking door kantonrechter per 23 februari 1999 gelijkgesteld wordt met het loon over de opzegtermijn die normaal gesproken in acht zou moeten worden genomen. De derde volzin van art. 16 lid 3 bepaalt dat onder de rechtens geldende termijn wordt verstaan de termijn op grond van art. 7:672 BW. Nu de wetgever dit uitdrukkelijk heeft bepaald, lijkt een strikte toepassing ervoor te pleiten uitsluitend art. 7:672 BW toe te passen en daarmee art. XXI van de Flexwet verder buiten beschouwing te laten. De rechtbank is echter van mening dat ook bij een strikte toepassing van art. 16 lid 3 WW art. XXI in ogenschouw genomen dient te worden. Daarvoor pleit allereerst het doel van dit art.lid. Het algemene uitgangspunt van de huidige regeling is immers volgens de wetgever om het recht op een WW-uitkering, ongeacht de wijze waarop de dienstbetrekking is geëindigd, zoveel mogelijk op hetzelfde moment te laten ontstaan. Met dit uitgangspunt strookt niet de opvatting dat het recht op uitkering voor werknemers ouder dan 45 jaar na ontbinding van de arbeidsovereenkomst op een eerder tijdstip kan ontstaan dan indien de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de rechtens geldende termijn zou zijn opgezegd. In de visie van de rechtbank pleit daarnaast in deze kwestie ook een letterlijke lezing van art. 16 lid 3 WW voor de toepassing van art. XXI Flexwet. Impliciet bevat de verwijzing naar de rechtens geldende opzegtermijn ook een verwijzing naar art. XXI Flexwet. Geldend recht voor het bepalen van de opzegtermijn is immers voor werknemers ouder dan 45 jaar naast art. 7:672 BW ook art. XXI Flexwet. Verwijzend naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 16 lid 3 WW merkt de rechtbank tenslotte ten overvloede op dat de wetgever door in art. 16 lid 3 derde volzin een integrale verwijzing naar art. 7:672 BW op te nemen, buiten twijfel heeft willen stellen dat ongeacht de beëindigingswijze van de dienstbetrekking ook de van art. 7:672 BW mogelijk afwijkende contractuele opzegtermijnen daaronder zijn begrepen. Door reeds in de eerste volzin van art. 16 lid 3 WW te spreken van de rechtens geldende opzegtermijn, was dit echter overbodig nu een verwijzing naar de rechtens geldende opzegtermijn zonder meer een verwijzing naar art. 7:672 BW omvat. Nu op basis van het oude recht een langere opzegtermijn geldt, blijft deze termijn gelden op grond van art. XXI Flexwet. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mrs. A.J. Henzen, R..E. Bakker, J.N.F. Sleddens

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.