ECLI:NL:RBLIM:2024:6039
Rechtbank Limburg · 21-08-2024 · zaaknummer C/03/323007 / HA ZA 23-448
Inhoudsindicatie
Civiel recht. Bodemzaak. Eiser is het kind van gedaagden. Eiser heeft als kind een verkeersongeval gehad. In verband met hierdoor geleden schade is aan hem destijds een schadevergoeding uitgekeerd. Gedaagden hebben tijdens de minderjarigheid van eiser het vermogen beheerd. In 2001, kort na het bereiken van de meerderjarigheid van eiser, hebben partijen een verklaring opgesteld over de overdracht van het resterende vermogen aan eiser. Een aantal jaren later heeft hij van zijn spaargeld € 10.000,- uitgeleend aan zijn ouders. In 2007 hebben partijen opnieuw een verklaring opgesteld over de overdracht van het resterende vermogen. De rechtbank heeft in 2008 vonnis gewezen tussen partijen en voor recht verklaard dat de, van de verklaring van 2001 deel uitmakende overeenkomst, inhoudende dat eiser jegens zijn ouders geen aanspraak kan maken op uitkering aan hem van de opbrengsten van zijn vermogen, is vernietigd. Ook zijn de ouders veroordeeld een bedrag afgerond € 63.000,- te betalen. Ten aanzien van twee andere bedragen, afgerond € 67.500,- en € 10.000,-, heeft de rechtbank in 2008 geoordeeld dat deze bedragen nog niet opeisbaar zijn omdat partijen hebben afgesproken dat te zijner tijd een voor eiser aanvaardbare oplossing wordt gezocht. De ouders hebben via een betalingsregeling het bedrag van afgerond € 63.000,- betaald. Eiser stelt in deze procedure dat zijn ouders sinds het vonnis van 2008 niet gezocht hebben naar een aanvaardbare oplossing om de andere bedragen die hem toekomen aan hem uit te betalen. De verklaring van 2007 is volgens hem onder invloed van misbruik van omstandigheden of dwaling tot stand gekomen. Daarom doet hij een beroep op vernietiging daarvan. De bedragen van € 67.571,07 en € 10.000,- zijn als gevolg daarvan opeisbaar. Subsidiair is hij van mening dat ook op basis van de redelijkheid en bilijkheid geconcludeerd moet worden dat zijn vorderingen inmiddels opeisbaar zijn geworden. Volgens de ouders is het beroep op misbruik van omstandigheden en dwaling te laat gedaan vanwege het beginsel 'concentratie van verweer' en bovendien is de rechtsvordering verjaard. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van schending van het beginsel 'concentratie van verweer'. Wel slaagt het beroep op verjaring. Verder oordeelt de rechtbank dat eiser niet voldaan heeft aan zijn stelplicht voor zover hij een beroep doet op artikel 6:248 lid 2 BW en artikel 6:248 lid 1 BW. De vorderingen van eiser worden afgewezen.
Rechters
Advocaten
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
