ECLI:NL:RBLIM:2024:3561
Rechtbank Limburg · 19-06-2024 · zaaknummer ROE 24/330
Inhoudsindicatie
Het gaat in deze zaak om de vraag of verweerder op dit moment voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in de periode augustus 2019 tot en met februari 2022 bij het pgb van een derde door de dochter van verzoekster zorg is gedeclareerd die niet is geleverd. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopige oordeel dat de door verweerder getrokken conclusie in ieder geval op dit moment niet kan worden gedragen door de in het dossier aanwezige stukken. Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter bij de huidige stand van zaken verwacht dat het bestreden besluit in bezwaar niet in stand zal blijven. Er is op dit moment dus ook geen reden om aan te nemen dat de dochter van verzoekster bij het verlenen van zorg aan haar moeder niet zal voorzien in toereikende zorg van goede kwaliteit. De voorzieningenrechter weegt daarom het belang van verzoekster om een voorlopige voorziening te treffen zwaarder dan het belang van verweerder om het besluit te handhaven.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
