Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBLIM:2016:6699

Rechtbank Limburg · 02-08-2016 · zaaknummer AWB - 15 _ 199u

Bestuursrecht; AmbtenarenrechtGepubliceerd 01-08-2016
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Trefwoorden: re-integratie, uitzendovereenkomst, payrollovereenkomst, allocatiefunctie, privaatrechtelijke dienstbetrekking of ambtenaarsverhouding, werkgeverschap. Samenvatting: Naar het oordeel van de rechtbank dient de tussen eiser, d’r Sjalter en verweerder aangegane rechtsverhouding geduid te worden als een payrollovereenkomst. Van een uitzendovereenkomst als bedoeld als bedoeld in artikel 7:690 van het BW is geen sprake omdat onzeker is of d’r Sjalter zich bedrijfs- of beroepsmatig bezighoudt met de terbeschikkingstelling van werknemers aan opdrachtgevers, waardoor (potentieel) niet is voldaan aan de voorwaarden van voornoemd artikel, en, mocht daar wel aan voldaan zijn, er in ieder geval in het geval van de voorliggende driehoeksverhouding niet is gebleken van enige allocatieve functie van d’r Sjalter, hetgeen een voorwaarde is die de parlementaire geschiedenis stelt. Evenmin kan d’r Sjalter gekwalificeerd worden als de werkgever van eiser in de zin van artikel 7:610 van het BW. Kort gezegd is de rechtbank van oordeel dat de keus van verweerder om het juridische en administratieve werkgeverschap uit te besteden aan d’r Sjalter, met als enige doel een flexibele arbeidsverhouding met eiser te creëren , de rol van d’r Sjalter een onvoldoende zelfstandige en inhoudelijke betekenis geeft om aangemerkt te worden als werkgever in voormelde zin. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er door de payrollconstructie ook geen arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het BW tot stand is gekomen tussen eiser en verweerder. Immers, op grond van artikel 7:615 van het BW is titel 10 van boek 7 van het BW niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van gemeenten, tenzij zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard. In het onderhavige geval bestaat een dergelijke opening enkel op basis van artikel 2:5, eerste lid, van de CAR/UWO, op grond waarvan verweerder slechts met een persoon een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk kan aangaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter. Van dergelijke werkzaamheden op oproepbasis is in het geval van eiser geen sprake. Nu niet is gebleken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en d’r Sjalter, noch met verweerder, maar verweerder kennelijk wel heeft beoogd een dienstbetrekking met eiser aan te gaan, is de rechtbank van oordeel dat per 3 oktober 2012 tussen eiser en verweerder een (tijdelijke) ambtenaarsverhouding is ontstaan. Dit maakt echter nog niet dat er een vaste aanstelling is ontstaan op grond van artikel 2:4, tweede lid, van de CAR/UWO, zoals dit luidde ten tijde van belang. Immers, eiser is in de periode tussen 3 oktober 2012 en 14 mei 2014 minder dan 36 maanden in dienst geweest bij verweerder. Wel brengt het voorgaande met zich dat eiser valt aan te merken als ‘gewezen ambtenaar’ in de zin van artikel 8:4, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 1 van de Ambtenarenwet, en dat hij op grond van voornoemde artikelen en artikel 8:1, in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, in staat moet worden geacht bezwaar en beroep in te stellen tegen een besluit tot (weigering van) een (vaste) aanstelling, zoals hier aan de orde. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook ten onrechte niet –ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond wordt verklaard en dit primaire besluit wordt herroepen voor zover daarin het standpunt is ingenomen dat eiser nooit een aanstelling als ambtenaar is verleend. Met aanvulling van de motivering blijft het primaire besluit in stand voor zover daarin is geweigerd eiser per 14 mei 2014 of per 4 oktober 2010 een (vaste) ambtelijke aanstelling te verlenen.

Advocaten

  • G.R.B. van Peursem
  • P.K. Wattel

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.