Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBLIM:2015:244

Rechtbank Limburg · 15-01-2015 · zaaknummer 3661904 CV EXPL 14-12803

Civiel rechtGepubliceerd 15-01-2015
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

kort geding, arbeidsgeschil over te hanteren referteperiode (art. 7:610b BW), toekenning voorschotbedrag in goede justitie, toekenning wettelijke verhoging (art. 7:625 BW). Samenvatting: In de onderhavige procedure staat centraal de vraag of de kantonrechter in een bodemprocedure de als hoofdregel gegeven wettelijke referteperiode van drie maanden (art. 7:610b BW) zal hanteren. Werkneemster (eisende partij) heeft aangevoerd dat werkgeefster (gedaagde partij) zich had moeten baseren op een representatieve(re) referteperiode van vijftien maanden, terwijl werkgeefster zich heeft beroepen op de wettelijke referteperiode van drie maanden. De kantonrechter oordeelt dat het in de rede ligt de gemiddelde arbeidsduur over een periode van méér dan drie maanden te berekenen, omdat werkneemster langere tijd en structureel voor een aanzienlijk hoger aantal uren per week arbeid in dienst van werkgeefster heeft verricht. Het gemiddelde aantal ‘verloonde’ uren over de maanden maart-april-mei 2014 (120,92 uur) is door verschillende factoren lager uitgevallen. Partijen verschillen van opvatting over de oorzaak van het toebedelen van minder patiënten en dus minder werkuren aan werkneemster, die zelf volhoudt daar uitdrukkelijk niet om gevraagd te hebben. Feit is dat het behalve om de uitleg van haar in het e-mailbericht van 30 januari 2014 neergelegde ‘intentie’ gaat om de vraag of er andere – in de praktijkvoering van werkgeefster gelegen en dus voor haar risico komende – redenen waren om minder productieve uren en wel veel onbeloonde administratieve taken aan de diverse fysiotherapeuten toe te bedelen (bijvoorbeeld voor de ‘audit’ van de ziektekostenverzekeraar die veel onrust in de praktijk veroorzaakte). Daar staat tegenover dat werkneemster niet 100% overtuigende argumenten aanvoert voor een referteperiode van vijftien maanden (‘kan ook een jaar zijn’) en dat de discussie over het meest representatieve beeld van de omvang van de arbeidsuren per week mede bezoedeld wordt door onuitgewerkte / te beperkt uitgewerkte vragen zoals die hiervoor kort opgesomd zijn en die in het bestek van dit kort geding ook geen verdere uitwerking kunnen krijgen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat als referteperiode in elk geval een tijdvak van meer dan drie maanden in aanmerking komt. Alleen daarom al zal het gemiddelde aantal uren per periode dat voor bepaling van de hoogte van het loon tijdens ziekte in aanmerking komt, in het kader van een bodemprocedure vermoedelijk in relevante mate hoger gesteld worden dan waarvan werkgeefster uitgaat en dat naar voorlopig oordeel niet (voldoende) representatief geacht kan worden voor het dienstverband als zodanig. De vooralsnog voor onjuist te houden maatstaf die werkgeefster voor de bepaling van de periodieke loonaanspraak van werkneemster hanteert, maakt evenwel toewijzing van het bij petitum sub Ic gevorderde mogelijk in de vorm van een aan werkneemster toe te wijzen voorschot, dat in goede justitie op € 2 500,00 bruto bepaald wordt. Bij gebrek aan overtuigende tegenargumenten wordt werkneemster tevens een bedrag van € 1.250,00 bruto ter zake de gevorderde wettelijke verhoging (art. 7:625 BW) toegewezen.

Partijen

  • [eiseres]

    eiseres · onbekend

  • [gedaagde]

    gedaagde · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.