ECLI:NL:RBLIM:2013:BZ9966
Rechtbank Limburg · 09-04-2013 · zaaknummer AWB 12/1025
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om een uitkering omdat de aanvraag niet binnen de in art. 7, lid 1 van de Wsg gestelde termijn van drie jaren na de dag waarop het geweldsmisdrijf is gepleegd, is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is geacht. Ter invulling van het criterium ‘zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd’ heeft verweerder op 2 september 2011 werkafspraken gemaakt die dienen te worden aangemerkt als een vaste gedragslijn die niet extern bekend is gemaakt. Vanaf die datum is verweerder bij aanvragen, die buiten de wettelijke termijn zijn ingediend, gaan onderzoeken op welke datum de aanvrager met het bestaan van het Schadefonds bekend is geworden. Bij de toepassing van die interne gedragslijn wordt als criterium gehanteerd dat een aanvraag (altijd) zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd, is ingediend, indien de aanvraag is ingediend binnen drie maanden nadat de aanvrager bekend is geworden met het bestaan van het Schadefonds. Buiten deze termijn van drie maanden kunnen zwaarwegende redenen alsnog leiden tot verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding. Verweerder heeft toegelicht dat een aanvraag die buiten de genoemde termijn van drie maanden is ingediend individueel wordt beoordeeld en dat een termijnoverschrijding verschoonbaar wordt geacht indien sprake is van zwaarwegende omstandigheden voor de termijnoverschrijding. Bij de interpretatie van ‘zwaarwegende omstandigheden’ zoekt verweerder aansluiting bij de regels omtrent verschoonbaarheid van overschrijding van bezwaar- en beroepstermijnen in de Awb. In lijn met deze benadering stelt verweerder zich op het standpunt dat, indien gebruik wordt gemaakt van een (professionele) gemachtigde een termijnoverschrijding niet snel verschoonbaar is te achten, omdat van een professionele gemachtigde kan worden verwacht dat hij op de hoogte is van de mogelijkheid een pro forma aanvraag in te dienen. De Rb. stelt voorop dat zij de door verweerder gekozen benadering om bij de invulling van het in art. 7 van de Wsg vervatte criterium aansluiting te zoeken bij het criterium ‘verschoonbaar verzuim’ als bedoeld in art. 6:11 van de Awb niet zonder meer analoog toepasbaar acht op een geval als het voorliggende. De Rb. acht het niet zonder meer juist om de strenge, formele benadering, zoals die bij art. 6:11 Awb wordt gehanteerd bij overschrijding van de (korte) wettelijke bezwaar- en beroepstermijnen, toe te passen op het - kwetsbare - deel van de doelgroep van de Wsg, voor zover dat bestaat uit (mogelijke) slachtoffers van seksueel misbruik, mishandeling en bedreiging. Verweerder dient bij de toepassing van art. 7 van de Wsg steeds op basis van alle individuele omstandigheden een afweging te maken of in het concrete geval blijkt dat de aanvraag zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Verweerder komt daarbij een zekere beoordelingsruimte toe. Naar het oordeel van de Rb. heeft verweerder in het onderhavige geval niet alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken en daaraan niet in alle opzichten de waarde gehecht die daaraan redelijkerwijs toekomt. Zo miskent verweerder de informatie op de site van het Schadefonds Geweldsmisdrijven en dat de gemachtigde niet juridisch is geschoold.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiseres]
eiseres · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
