Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBLEE:2001:AD7844

Rechtbank Leeuwarden · 21-12-2001 · zaaknummer 99/1128 NABW

Bestuursrecht; Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Uitzondering op regel dat geen bijstand wordt verleend over periode welke voorafgaat aan datum waarop aanvraag is ingediend. Bijstand toegekend vanaf datum aanvraag (14 mei 1999). Bij het besluit van 22 juni 1999 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. In beroep is aangevoerd dat eiser zich niet met de ingangsdatum kan verenigen en dat de bijstand vanaf 22 maart 1999 moet worden toegekend, omdat hij vanaf die datum rechtsgeldig in Nederland verblijft, hoewel het D-document, het identiteitsbewijs dat hoort bij de vergunning tot verblijf, hem pas op 14 mei 1999 is uitgereikt, terwijl dit document de datum 19 april 1999 draagt. De rechtbank overweegt als volgt. Het hebben van een legitimatiebewijs is geen constitutief vereiste voor het verkrijgen van bijstand. Dat laat echter onverlet dat b en w op grond van art. 65, lid 4 Abw wel van de aanvrager kunnen verlangen dat hij zich door middel van een legitimatiebewijs identificeert. Uit de Parlementaire Geschiedenis van de totstandkoming van de huidige redactie van art. 65, lid 4 Abw blijkt echter, dat daar waar de aanvragers niet over een geldig legitimatiebewijs beschikken, de gemeente, al dan niet door middel van onderzoek, zal moeten vaststellen of de identiteit van de betrokkene voldoende kan worden vastgesteld. Naar het oordeel van de Rb kan niet gezegd worden dat eisers identiteit en verblijfsstatus op 31 maart 1999 niet voldoende konden worden vastgesteld. Voorts komt de rechtbank komt tot de conclusie dat eiser redelijkerwijs ten aanzien van zijn te laat, eerst op 14 mei 1999, gedane aanvraag niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest. In casu doet zich de door de CRvB bedoelde uitzondering voor op de regel, dat geen bijstand wordt verleend over een periode welke voorafgaat aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Verweerder had moeten beoordelen of eiser met ingang 31 maart 1999, de dag waarop eiser zich voor het eerst bij de gemeente heeft gemeld, recht had op bijstand. Op die datum had verweerder eisers identiteit en verblijfsstatus voldoende kunnen vaststellen, o.a. door controle bij de IND, de vreemdelingenpolitie en/of het COOA. De rechtbank ziet daarbij niet over het hoofd dat eiser in zijn op 17 mei 1999 ingediende aanvraag zelf óók vraagt om uitkering ingaande 14 mei 1999; zij acht het echter niet onaannemelijk dat deze datum is ingegeven door de veronderstelling van eiser dat hij eerst bijstand kon krijgen met ingang van de datum waarop hij over het D-document beschikte. Bij het nemen van het bestreden besluit heeft verweerder gehandeld in strijd met het in art. 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in art. 7:12 lid 1 Awb neergelegde motiveringsbeginsel. Beroep gegrond. Het college van burgemeester en wethouders van Tytjerksteradiel, verweerder mrs. P.G. Wijtsma, K. Post, A.G.J.M. van Montfort

Rechters

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.

Partijen

  • het college van burgemeester en wethouders van Tytjerksteradiel

    verweerder · overheid

Overheidspartijen

  • het college van burgemeester en wethouders van Tytjerksteradiel

    verweerder

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.