ECLI:NL:RBLEE:2001:AD4040
Rechtbank Leeuwarden · 10-09-2001 · zaaknummer 01/706 AOW 01/707 AOW
Inhoudsindicatie
Inkomensbesluit niet in strijd met in AOW neergelegde inkomensbegrip. Aan eiser is medegedeeld dat het weduwenpensioen van eisers partner, verstrekt door het Philips Pensioenfonds, in mindering wordt gebracht op de AOW-toeslag. Naar het oordeel van de president moet op grond van de duidelijke tekst van art. 7.3 Inkomensbesluit worden vastgesteld dat het weduwenpensioen, waarvan het evident is dat dit verband houdt met de door de overleden echtgenoot van mevrouw C in dienst van Philips verrichte arbeid, inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven is in de zin van art. 7.1 Inkomensbesluit. Eiser onderkent dit, maar is van mening dat het Inkomensbesluit op dit punt een te ruime uitleg geeft aan de wettekst. Volgens eiser moet het gaan om inkomen dat gerelateerd is aan door mevrouw C zélf verrichte arbeid. Het standpunt van eiser komt er op neer dat de woorden 'van die echtgenoot' in art. 8.1 AOW terugslaan op 'arbeid', zodat in deze bepaling moet worden gelezen dat enkel inkomen dat in verband staat met arbeid die door de jongere partner is verricht, in beschouwing mag worden genomen. De president acht verzoekers tekstuele uitleg echter onjuist. Art. 8 lid 1 AOW beoogt immers te regelen dat voor beantwoording van de vraag of, en zo ja tot welke hoogte, de AOW-gerechtigde recht heeft op een toeslag, gekeken moet worden naar de hoogte van het inkomen van de jongere partner. De bewoordingen 'uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven' zijn derhalve, bezien in het licht van de ratio van dit artikel, een beperking en tevens een nadere concretisering van dat inkomensbegrip. Verder mist eisers verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 21 juni 2000 (RSV 2000/171) doel, want het Philips-pensioen is -anders dan in de casus die aan genoemde uitspraak ten grondslag ligt- geen uitkering op basis van ingezetenschap. Naar het oordeel van de president zijn de relevante bepalingen van het Inkomensbesluit in dit geval dan ook niet in strijd met het in de wet vastgelegde inkomensbegrip, zodat moet worden geconcludeerd dat verweerder terecht en op goede gronden het recht op toeslag met ingang van 1 juli 1999 heeft beëindigd. Beroep ongegrond; afwijzing voorlopige voorziening. De Sociale Verzekeringsbank, verweerder. mr. C.H. de Groot (president)
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
