ECLI:NL:RBLEE:2001:AB0215
Rechtbank Leeuwarden · 15-01-2001 · zaaknummer 99/338 BESLU
Inhoudsindicatie
Nu schriftelijke aanvraag ontbreekt is geen sprake van een besluit als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. Bezwaar tegen afwijzing van mondeling verzoek tot het kappen van een eik ongegrond verklaard. Het verzoek aan verweerder om de gemeentelijke eik te kappen is mondeling gedaan. Niet gebleken is van enige schriftelijke aanvraag. Verweerder heeft eiser ook niet verzocht om alsnog een schriftelijke aanvraag te doen. In de jurisprudentie zijn aanknopingspunten te vinden voor het standpunt dat, ook al is de aanvraag niet schriftelijk gedaan, de reactie op die aanvraag toch een besluit is als bedoeld in art. 1:3, eerste lid Awb. De Rb. verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 30 oktober 1998, gepubliceerd in JB 1998/281, waarbij wordt aangetekend dat het in die uitspraak ging om een aanvraag gericht op verlenging van financiering. Het afwijzende besluit was een concrete weigering om die financiering te verlengen. In het geval van eiser gaat het echter om een andere feitelijke situatie: het betreft een mondeling verzoek aan verweerder om, conform beweerdelijke eerdere toezeggingen van de zijde van verweerders gemeente, een boom die aan de gemeente toebehoort, weg te halen. Verweerder heeft dit verzoek opgevat als een verzoek aan verweerder om aan de gemeente een kapvergunning o.g.v. de APV te verlenen, hetgeen verweerder heeft geweigerd. Uit de beschikbare gegevens wordt evenwel voldoende duidelijk dat het niet de bedoeling van eiser geweest is dat zijn verzoek zou worden opgevat, zoals verweerder dat heeft gedaan. Eiser heeft verweerder alleen gevraagd een beweerdelijke toezegging na te komen. In deze omstandigheid ziet de Rb. dan ook geen reden om in eisers geval niet vast te houden aan het vereiste, dat een aanvraag schriftelijk wordt gedaan. Van een uitzondering op het vereiste van een schriftelijke aanvraag is in eisers geval niet gebleken. Dat betekent dat eiser geen aanvraag heeft gedaan in de zin van de Awb en derhalve dat het besluit van 2 december 1998 geen besluit is in de zin van art. 1:3, eerste lid Awb. De Rb. meent voor haar standpunt aanknopingspunten te vinden in de uitspraak van de Voorzitter van de AbRS van 29 april 1994, gepubliceerd in JB 1994/192. Gelet op de dwingendrechtelijke bepaling van art. 4:1 Awb acht de Rb. verweerders argument dat hij voor de door hem ingeslagen weg heeft gekozen om voor eiser een rechtsgang te realiseren, niet relevant. Onder toepassing van art. 8:72, vierde lid Awb verklaart de Rb. het bezwaarschrift niet-ontvankelijk.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
het college van burgemeester en wethouders van Opsterland
verweerder · overheid
Overheidspartijen
het college van burgemeester en wethouders van Opsterland
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
