ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ4170
Rechtbank Haarlem · 28-07-2009 · zaaknummer 153663-09-189
Inhoudsindicatie
Nu niet is betwist dat de jongmeerderjarige een opleiding volgt, staat zijn behoefte aan een bijdrage vast. De vader is dan ook onderhoudsplichtig jegens de jongmeerderjarige. De onderhoudsplicht van ouders jegens hun meerderjarige kinderen is in tegenstelling tot de onderhoudsplicht van ouders jegens hun minderjarige kinderen niet uitgezonderd van de aan de rechter verleende matigingsbevoegdheid van artikel 1:399 BW. Op grond van dit artikel kan de rechter de verplichting van bloed- en aanverwanten tot levensonderhoud matigen op grond van zodanige gedragingen van de tot onderhoud gerechtigde dat verstrekking van levensonderhoud naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd. Voldoende staat vast dat ten gevolge van gebeurtenissen in het verleden de relatie tussen partijen ernstig verstoord is. De moeder en de jongmeerderjarige hebben de vader destijds beschuldigd van seksueel misbruik van de jongmeerderjarige. De moeder heeft vervolgens eigenhandig medio januari 1998 de omgangsregeling stop gezet. Na een door de rechtbank gelast onderzoek, heeft de rechtbank Rotterdam bij beschikking van 18 mei 2000 de eerder vastgestelde omgangsregeling opgeheven. Niet betwist is dat de vader en de jongmeerderjarige in ieder geval al enige jaren voordat de omgangsregeling in 2000 wordt opgeheven geen contact meer met elkaar hebben gehad. De jongmeerderjarige heeft aangegeven nooit meer contact met de vader te willen. Het enkele weigeren door de jongmeerderjarige van contact met de vader kan geen zelfstandige grond vormen voor de beperking van de onderhoudsverplichting van de vader (HR 10 november 2006, NJ 2006, 607). Maar gelet op de onderlinge samenhang van de hierboven genoemde omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van dusdanig grievend gedrag dat het door de jongmeerderjarige bij zodanig gedrag vragen van financiële ondersteuning van de vader een zodanig kwetsend karakter voor de vader heeft dat van hem de gevraagde onderhoudsbijdrage in redelijkheid niet gevergd kan worden. Dit geldt temeer nu voldoende aannemelijk is geworden dat mede de onderhavige situatie bij de vader tot spanningsklachten en slaapstoornissen leidt (Hof Den Bosch 25 oktober 2000, R200000228 en Hof Den Bosch 17 januari 2007, R200600758). De rechtbank zal daarom gebruik maken van haar matigingsbevoegdheid op grond van artikel 1:399 BW en de bijdrage bepalen op nihil.
Rechters
Advocaten
- J.H. Heerebout
- R. Lubbers
Partijen
[verweerder]
verweerder · onbekend
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
