ECLI:NL:RBHAA:2004:AS6267
Rechtbank Haarlem · 01-11-2004 · zaaknummer 03-936 en 03-1846
Inhoudsindicatie
Verhouding gebruiksovergangsrecht en aanlegvergunningenstelsel. De rechtbank is van oordeel dat uit de omstandigheid dat een aanlegvergunning is vereist, voortvloeit dat het gaat om activiteiten waaraan door de planwetgever, gelet op de door hem aan het betrokken gebied toegekende bestemming en de door hem vastgestelde toetsingscriteria voor vergunningverlening, een zodanige planologische relevantie is toegekend, dat deze niet kunnen worden geacht te zijn begrepen onder activiteiten die op grond van het gebruiksovergangsrecht zijn toegelaten, indien zij, zoals hier, hebben plaatsgevonden na de peildatum die voor het gebruiksovergangsrecht geldt. Een aanlegvergunningstelsel ziet er immers op om - zoals dat in artikel 14, onder a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is geformuleerd - te voorkomen dat het terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming. Voorts gaat het hier om activiteiten, werken of werkzaamheden die weliswaar zijn aan te merken als onderhoudswerkzaamheden, doch niet als onderhoudswerkzaamheden die erop zijn gericht te voorkomen dat het terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming "Agrarisch gebied met landschapswaarden"; de betrokken onderhoudswerkzaamheden zijn juist in strijd met de bestemming en gericht op het behoud van de geschiktheid van het terrein voor het overgangsrechtelijk toegelaten gebruik en op de verlenging van de levensduur van die geschiktheid voor dat gebruik. Dit strookt niet met het uitsterfkarakter van het overgangsrecht. Het overgangsrecht strekt er immers toe om bestaande rechten gedurende een overgangsperiode te eerbiedigen, tot zij zijn uitgestorven, opdat dan het nieuwe recht c.q. de nieuwe bestemming, zal kunnen worden verwezenlijkt. Zodanige onderhoudswerkzaamheden kunnen dan ook niet worden aangemerkt als werken of werkzaamheden, als bedoeld in artikel 8, negende lid, van de planvoorschriften. Het verrichten van onderhoudswerkzaamheden van het achterterrein dat tevens moet worden aangemerkt als het uitvoeren van werken of werkzaamheden als vermeld in artikel 8, vijfde lid, van de planvoorschriften is derhalve zonder aanlegvergunning verboden. Hoger beroep niet ontvankelijk verklaard wegens ontbreken gronden beroep; Raad van State, 18 februari 2005, 200409821/3.
Rechters
Advocaten
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
[eiseres]
eiseres · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
