ECLI:NL:RBHAA:2004:AR6981
Rechtbank Haarlem · 16-11-2004 · zaaknummer 90331/03
Inhoudsindicatie
Artikel 21 is te beschouwen als een opdracht aan de Centrale Autoriteit om te zorgen dat het omgangsrecht verwezenlijkt kan worden, en geeft de man niet een zelfstandig recht op omgang ingevolge het Verdrag, noch een zelfstandige rechtsingang bij de rechtbank. [Zie in dit verband de toelichting bij het Verdrag in het Rapport Explicatif de Mlle. Elisa Pérez-Vera, Chapitre IV, “droit de visite”, waar dit oordeel wordt onderschreven.] Zoals ter zitting is besproken, zal de Centrale Autoriteit -indien nodig- voor de man kunnen optreden op grond van artikel 21 van het Verdrag teneinde te trachten het recht op omgang tussen de man en [naam minderjarige] in rechte af te dwingen. Op deze wijze kan de Centrale Autoriteit de man bijstaan indien de gesloten overeenkomst niet nageleefd zou worden.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verweerder]
verweerder · onbekend
[verzoeker]
verzoeker · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
