ECLI:NL:RBGEL:2020:1176
Rechtbank Gelderland · 24-02-2020 · zaaknummer AWB 18/3115, 18/3116, 18/3118 en 18/3957
Inhoudsindicatie
Premieheffing Rijnvarende 2010, 2011 en 2012. Volgens eiser is de inspecteur niet bevoegd om vast te stellen welke sociale zekerheidswetgeving van toepassing is, want dat mag alleen de SVB, en mag hij daarom niet afwijken van wat eiser daarover stelt in zijn aangifte IB/PVV. De rechtbank is echter van oordeel dat als geen A1-verklaring is afgegeven, dat dan alleen de conclusie kan worden getrokken dat onzekerheid over de toepasselijke wetgeving bestaat. In die situatie is de inspecteur gebonden te handelen overeenkomstig de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving en de aanwijsregels die gelden voor rijnvarenden. Daaruit volgt dat eiser in Nederland verplicht verzekerd is en dus premieplichtig is. Op eiser rust dan de bewijslast om het tegendeel aannemelijk te maken. De Luxemburgse E106-verklaring kan niet dienen als afdoende bewijs. De E106-verklaring is afgegeven met het oog op prestaties bij ziekte en moederschap; inmiddels de S1-verklaring die moet worden aangevraagd bij de zorgverzekeraar. Uit de E106-verklaring en de loonstrookjes kan niet worden afgeleid dat premies zijn afgedragen voor verzekeringen die vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volksverzekeringen. Artikel 73 van de Toepassingsverordening geeft regels over hoe om te gaan met voorlopig uitgekeerde uitkeringen of voorlopig geheven premies in de gevallen waarin de procedure van artikel 6 van de Toepasssingsverordening is gevolgd. Eiser kan zich daarom niet op deze procedure beroepen. Het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel treft evenmin doel. Daargelaten of het hier wel om vergelijkbare gevallen gaat, bestaat sinds 1 mei 2010 de procedure van artikel 16 van de Toepassingsverordening. Deze procedure biedt een effectieve voorziening voor belanghebbenden om te laten vaststellen welke wetgeving op hen van toepassing is. Het voortbestaan van onzekerheid over welke wetgeving op eiser van toepassing is, is dan ook niet het gevolg van een nationaalrechtelijke ondoeltreffende procedure, maar van het niet effectief gebruiken van de bestaande procedure. Eisers stellingen hebben in wezen betrekking op in zijn ogen onrechtmatig handelen van de SVB door niet of onvolledig de Basisverordening en de Toepassingsverordening toe te passen, waardoor hij schade lijdt. Voor zover eiser die schade niet aan de orde stelt of kan stellen in zijn procedure(s) bij de SVB, zal eiser zich tot de burgerlijke rechter moeten wenden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
