Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBGEL:2019:3126

Rechtbank Gelderland · 15-07-2019 · zaaknummer AWB - 19 _ 843

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 12-07-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Griffierecht te laat en gedeeltelijk betaald. Eiseres heeft verzocht om de nota en betalingsherinnering anders in te richten. Er is geen grond voor het oordeel dat het niet duidelijk was van wie of voor welk beroep het griffierecht werd geheven. Overigens is een gedeelte van het griffierecht betaald. Ook hieruit blijkt dat duidelijk was voor welke zaak het griffierecht werd geheven. Het ligt op de weg van de gemachtigde, die namens eiseres het beroep heeft ingesteld, om voor de betaling van het griffierecht zorg te dragen en eiseres alle daarvoor benodigde informatie te verschaffen. Dat de gemachtigde van eiseres dat heeft nagelaten komt voor rekening en risico van eiseres. Dat het de bedrijfsvoering van de gemachtigde van eiseres beter uit zou komen indien in de nota voor de betaling van het griffierecht andere of meer gegevens zouden worden vermeld, of indien de nota anders zou zijn vorm gegeven, maakt het oordeel niet anders. Eiseres betoogt verder dat zij in deze zaak en de zaak die behandeld wordt onder zaaknummer AWB 19/844 maar eenmaal griffierecht verschuldigd was omdat er sprake was van een beroep tegen samenhangende besluiten. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak op bezwaar van 21 november 2018 betrekking heeft op een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor de objecten van eiseres aan [A-straat 1] en de [A-straat 2] te [Z]. Er is sprake van een geschrift waarin twee uitspraken op bezwaar zijn vervat. Er is dan ook geen sprake van samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de griffier dan ook terecht griffierecht geheven voor elk van de beroepen die namens eiseres zijn ingediend. Eiseres heeft tot slot verzocht om een vergoeding van de immateriële schade vanwege een overschrijding van de redelijke termijn. Het is niet uitgesloten dat in een procedure over een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade, zie het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:241). Op grond van artikel 6 van het EVRM moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn worden berecht. Er geldt dan echter wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil (inhoudelijk) aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als het griffierecht niet wordt betaald. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:352). Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens het niet-betalen van griffierecht. Dat is slechts anders in het geval waarin de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar zijn verstreken. Gelet op de datum waarop eiseres beroep heeft ingesteld, is die termijn niet overschreden.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.