Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:RBDOR:2012:BX0740

Rechtbank Dordrecht · 05-07-2012 · zaaknummer AWB 12/716

Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Intrekking WIJ per 1 januari 2012. Bij besluit van 15 maart 2012 heeft verweerder het recht op bijstand van verzoeker per 1 juli 2012 beëindigd op grond van art. 13, lid 3, aanhef en onder c, WWB. Aan het bestreden besluit tot beëindiging van verzoekers recht op bijstand per 1 juli 2012 ligt ten grondslag dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker kan studeren en daarom aanspraak kan maken op studiefinanciering, zodat per 1 juli 2012 de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB op hem van toepassing is en zijn recht op bijstand dient te worden beëindigd. De wetgever heeft met de Wijzigingswet per 1 januari 2012 een actieve rol beoogd van zowel verweerder als de jonge bijstandsaanvrager. De jongere moet bij een aanvraag om bijstand aantonen geen betaald werk te kunnen krijgen en geen via studiefinanciering bekostigde opleiding te kunnen volgen, met een verscherping per 1 juli 2012 op dat laatste punt door onder meer de inwerkingtreding van de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB. Indien de jongere dat heeft kunnen aantonen, dan mag het college slechts bijstand toekennen onder het gelijktijdig opleggen van een plan van aanpak met de jongere bindende afspraken. De wetgever laat zich er niet over uit hoe deze wederzijdse plichten per 1 januari 2012 en de aanscherping per 1 juli 2012 moeten worden bezien in het geval van de jonge bijstandgerechtigde van wie de inkomensvoorziening op grond van de WIJ per 1 januari 2012 werd omgezet in een bijstandsuitkering. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel met zich brengen dat bij beëindiging van het recht op bijstand in deze gevallen op grond van de nieuw ingevoerde uitsluitingsgrond per 1 juli 2012, het aan het college is om aannemelijk te maken dat de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB op de jongere van toepassing is en daarin reden is om de uitkering van de jongere te beëindigen. De voorzieningenrechter stelt vast dat noch uit het bestreden besluit zelf noch uit de verslaglegging van het daaraan ten grondslag liggende onderzoek blijkt op basis waarvan verweerder van opvatting is dat verzoeker in staat is via studiefinanciering bekostigd onderwijs te volgen per 1 juli 2012. Het bestreden besluit is daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd en berust op onvoldoende onderzoek. Daarnaast is het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onzorgvuldig voorbereid. Verweerder heeft immers noch voorafgaand aan het gesprek van 15 maart 2012 noch tijdens dat gesprek de opleidingsmogelijkheden van verzoeker in via studiefinanciering bekostigd onderwijs aan de orde gesteld of onderzocht. Verzoeker heeft zich bij het gesprek expliciet op het standpunt gesteld dat hij niet over de benodigde startkwalificatie beschikt voor het volgen van via studiefinanciering bekostigd onderwijs. Verweerder heeft dit standpunt bij het gesprek of in het beëindigingsbesluit niet weersproken en evenmin met verzoeker concrete afspraken gemaakt over het inventariseren van diens mogelijkheden in via studiefinanciering bekostigd onderwijs. De voorzieningenrechter zal voorts onderzoeken of het bestreden besluit ondanks deze gebreken in bezwaar in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter kan verweerder niet volgen in diens standpunt ter zitting dat, nu vaststaat dat verzoekers startkwalificatie in beginsel toelating geeft tot een via studiefinanciering bekostigde opleiding, de uitsluitingsgrond reeds daarom op verzoeker van toepassing is. De voorzieningenrechter begrijpt art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB aldus, dat uitsluiting van een jongere pas dan aan de orde is, als voldoende vaststaat dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen. Verweerder dient dat in dit geval aannemelijk te maken. Verweerder heeft verzoekers betoog dat zijn leeftijd er in zijn algemeenheid aan in de weg staat om een opleidingsplaats binnen via studiefinanciering bekostigd onderwijs verkrijgen en hij alleen onder bijzondere omstandigheden zal worden toegelaten, niet weersproken. De voorzieningenrechter concludeert dat verweerder daardoor vooralsnog niet aannemelijk heeft gemaakt dat het geval van verzoeker voldoende feitelijke grondslag biedt voor het van toepassing zijn van de uitsluitingsgrond van art. 13, lid 2, aanhef en onder c, van de WWB. Voorts dient verweerder te motiveren waarom in dat geval 1 juli 2012 als datum van uitsluiting van verzoeker van het recht op bijstand dient te worden bepaald. Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

Advocaten

  • A. de Raad
  • M.M. Berkhoudt

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.