ECLI:NL:RBDOR:2011:BP8890
Rechtbank Dordrecht · 15-03-2011 · zaaknummer AWB 11/226
Inhoudsindicatie
wettelijk kader: artikel 13b van de Opiumwet samenvatting: Bij beantwoording van de vraag of de aangetroffen middelen in de lokaliteit van verzoeker aanwezig waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt, heeft verweerder zich kunnen baseren op hetgeen daarover is vermeld in de beleidsregel ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie. Uit de bestuurlijke rapportage van de Politie Zuid Holland-Zuid van 26 oktober 2010 blijkt dat, naast de aangetroffen 5 gram cocaïne, in een ongeopend pakket met slechts de naam van verzoeker erop een tiental XTC-pillen en ongeveer een kwart liter GHB is aangetroffen. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat dit ongeopende pakket als extern poststuk moet worden gezien, nu uit de hiervoor genoemde bestuurlijke rapportage blijkt dat geen adressering op het pakket stond vermeld. Nu meerdere middelen zijn aangetroffen, die alle ruim de gebruikershoeveelheid voor één persoon overtroffen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende aanleiding is voor de conclusie dat de betreffende middelen in de lokaliteit aanwezig waren om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. Anders dan verzoeker stelt, volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 5 oktober 2010, LJN AR8730, dat niet noodzakelijk is dat naast de aangetroffen handelshoeveelheid ook nog attributen of andere omstandigheden aangetroffen moesten zijn, die wijzen op de handel in de betreffende middelen. Dat in door verzoeker aangehaalde uitspraken daar wel rekening mee werd gehouden, maakt dit niet anders. Gelet daarop faalt de grond dat verweerder niet bevoegd was tot oplegging van de last onder bestuursdwang. Blijkens de jurisprudentie van de Afdeling dient de rechter sluitingsbevelen die zijn genomen krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet op terughoudende wijze te toetsen. Ook bij de vaststelling van de sluitingstermijn beschikt de burgemeester over beslissingsruimte. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2006, LJN AY5066. Verweerder heeft in dit geval zijn vaste gedragslijn toegepast, zoals deze ter zitting is toegelicht. Gelet op de verweerder toekomende beslissingsruimte, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Van een sluiting van voor de duur van zes maanden kan niet worden gezegd dat daarmee de grens van een herstelmaatregel wordt overschreden. Ook de omstandigheid dat geen aansluiting wordt gezocht bij het horecabeleid van de gemeente Dordrecht, is niet voldoende voor de conclusie dat de oplegde maatregel onevenredig is. De voorzieningenrechter kan verzoeker niet volgen in zijn betoog dat de duur van de sluiting onvoldoende gemotiveerd zou zijn. Evenmin is gebleken dat verweerder zijn bevoegdheden voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor deze is gegeven. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 13b van de Opiumwet, kamerstuken II 1996/97, 25324, blijkt dat met de introductie van artikel 13b in de Opiumwet is beoogd dat in het kader van de Opiumwet tevens rekening kan worden gehouden met de effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden. Hieruit volgt dat handhaving van de openbare orde aan het onderhavige besluit ten grondslag mag worden gelegd. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die tot het oordeel zouden moeten leiden dat verweerder in dit geval van zijn vaste gedragslijn diende af te wijken. Dat verzoeker een groot financieel belang heeft bij de exploitatie van de lokaliteit, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Evenmin kan als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt dat de aanwezigheid van de genoemde middelen in de lokaliteit verzoeker niet zou kunnen worden aangerekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar hiervoor genoemde uitspraak van 5 januari 2005 speelt in een geval als het onderhavige de persoonlijke verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de lokaliteit noopt. Verzoeker is verantwoordelijk voor de gang van zaken in de lokaliteit en hij dient afdoende maatregelen te treffen teneinde feiten als hier in geding te voorkomen.
Rechters
Advocaten
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
de gemeente Dordrecht
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de gemeente Dordrecht
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
