ECLI:NL:RBDOR:2011:BP2322
Rechtbank Dordrecht · 26-01-2011 · zaaknummer 85358 / HA ZA 10-2142
Inhoudsindicatie
Eiser stelt als executeur testamentair vorderingen in tegen gedaagde (zijn broer). Het gaat kort gezegd om het volgende: Eiser verwijt gedaagde dat hij als bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld (art. 2:9 en 6:162 BW). Gedaagde zou volgens eiser privékosten ten laste van de vennootschap hebben gebracht. Eiser voldoet niet aan zijn stelplicht. Gedaagde had volgens eiser overheadkosten moeten doorbereken. Eiser stelt echter niet aan op basis waarvan daartoe een verplichting zou bestaan. Ten overvloede wordt overwogen dat het verweer dat de vorderingen (grotendeels) zijn verjaard op grond van 3:301 lid 1 BW slaagt. Eiser stelt dat gedaagde uit hoofde van geldlening een bedrag aan eiser is verschuldigd. Geldlening komt vast te staan, nu deze niet voldoende wordt betwist. Eiser wenst de geldlening te verrekenen met een vordering van gedaagde uit hoofde van schenking. Nu partijen kennelijk beiden verrekening beogen in het geval een vordering van eiser voor toewijzing in aanmerking komt, wordt de gevorderde verklaring voor recht tot verrekening van beide vorderingen toegewezen. Vordering tot bevel opheffing van door gedaagde gelegde executoriale beslagen wordt toegewezen.
Rechters
Advocaten
- J.P.M. Borsboom
- P.A. Mastenbroek
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
[eiser]
eiser · onbekend
[gedaagde]
gedaagde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
