ECLI:NL:RBDHA:2026:6919
Rechtbank Den Haag · 19-03-2026 · zaaknummer 26/1286
Inhoudsindicatie
Verzoek om voorlopige voorziening. Verweerder heeft aan verzoekster een gebiedsverbod opgelegd voor de duur van drie maanden omdat verzoekster volgens verweerder overlast veroorzaakt in haar wijk (artikel 172a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Gemeentewet). Verzoekster is het niet eens met het gebiedsverbod, zij wordt ernstig in haar bewegingsvrijheid beperkt en kan door het gebiedsverbod niet bij haar partner, die binnen het voor haar verboden gebied woont, op bezoek. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster herhaaldelijk de openbare orde heeft verstoord en ook dat ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring. Het gebiedsverbod is verder evenwichtig. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en dat het belang van verweerder bij het voortzetten van het gebiedsverbod zwaarder weegt dan het belang van verzoekster bij opheffing van het verbod. Verzoek afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verzoekster]
verzoekster · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
