ECLI:NL:RBDHA:2025:53
Rechtbank Den Haag · 03-01-2025 · zaaknummer NL24.49820
Inhoudsindicatie
Bewaring art. 59, eerste lid, ongegrond. De stelling van eiser dat hij na zijn uitzetting op 12 april 2024 opnieuw rechtmatig verblijf heeft verworven op grond van het Unierecht wordt door de rechtbank niet gevolgd. Alhoewel het tijdsverloop - daargelaten of eiser daadwerkelijk de gestelde zes maanden in Polen heeft verbleven - relevant is bij de beoordeling of eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, is het niet doorslaggevend. De rechtbank acht in dit verband relevant dat eiser in zijn geheel geen onderbouwing, zoals bedoeld in het arrest1 van het Hof van Justitie van 22 juni 2021, heeft kunnen geven van het overbrengen van het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat. De enkele stelling dat eiser sinds zijn geboorte in Polen staat ingeschreven, een huis in Polen heeft en na zijn terugkomst in Polen (een week) in de bouw heeft gewerkt, is onvoldoende.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
