ECLI:NL:RBDHA:2025:5285
Rechtbank Den Haag · 27-03-2025 · zaaknummer NL24.29947
Inhoudsindicatie
Dublin, C2/5 Vc. Anders dan het beleid van de minister veronderstelt, betreft de eerstgenoemde situatie geen discretionaire bevoegdheid. Deze situatie ziet namelijk op de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, betreft een rechtstreekse verplichting en hoort dan ook niet thuis in een paragraaf over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van de minister. Doordat deze situatie daar echter wel in is opgenomen en in besluiten vaak voorop wordt gesteld – bij de beoordeling van zowel het interstatelijk vertrouwensbeginsel als de bijzondere, individuele omstandigheden – creëert de minister onduidelijkheid. Dit zorgt ook voor een ongewenste vermenging van argumenten die enerzijds het interstatelijk vertrouwensbeginsel betreffen en anderzijds zien op toepassing van de discretionaire bevoegdheid door de minister. De rechtbank ziet echter geen ruimte om aan dit onjuiste beleidsuitgangspunt juridische gevolgen te verbinden, als de minister bij de (inhoudelijke) beoordeling of een lidstaat zijn internationale verplichtingen al dan niet nakomt, wel overeenkomstig artikel 3, tweede lid, van de Dvo handelt. Van strijd daarmee, is de rechtbank in deze zaak niet gebleken. Daarom volstaat de rechtbank op dit punt met de minister in overweging te geven om het beleid aan te passen. De rechtbank ziet in de aangehaalde overweging uit de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, aanleiding om te oordelen dat onder andere de gevolgen van de gestelde eerdere ervaringen, waaronder ernstige trauma’s, wel relevant kunnen zijn voor de beoordeling of de minister in redelijkheid heeft kunnen afzien gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Hiervoor is dan echter bepalend dat door de vreemdeling niet volstaan wordt met de enkele verwijzing naar de gestelde eerdere ervaringen. Het is aan de vreemdeling om de gevolgen van die gestelde eerdere ervaringen concreet te maken en van een op zijn individuele situatie toegespitste onderbouwing te voorzien, expliciet in het (specifieke) kader van de aan de minister toekomende discretionaire bevoegdheid. Als de vreemdeling niet met een dergelijke concretisering en onderbouwing komt, kan de minister naar het oordeel van de rechtbank volstaan met te verwijzen naar zijn overwegingen in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Als de vreemdeling wel met een dergelijke concretisering en onderbouwing komt, dient de minister – als af wordt gezien van toepassing van de discretionaire bevoegdheid – het besluit te voorzien van een daarop toegespitste motivering, die de rechtbank kan toetsen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
