ECLI:NL:RBDHA:2024:4401
Rechtbank Den Haag · 28-03-2024 · zaaknummer NL23.25689
Inhoudsindicatie
Derdelanders Oekraïne, terugkeerbesluit, Richtlijn Tijdelijke Bescherming, bestuurlijk rechtsoordeel, beroep gegrond, tijdelijke bescherming is niet van rechtswege geëindigd, rechtmatig verblijf vanwege lopende asielaanvraag. De staatssecretaris heeft in de brief van 29 januari 2024 vastgesteld dat de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn 2001/55/EG (RTB) van rechtswege eindigt op 4 maart 2024. De rechtbank merkt deze mededeling aan als een bestuurlijk rechtsoordeel dat kan worden gelijkgesteld met een besluit. Daarom acht de rechtbank zich bevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover dit is gericht tegen deze mededeling. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de tijdelijke bescherming van eiser per 4 maart 2024 van rechtswege is geëindigd. De staatssecretaris verwijst voor zijn motivering naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32), waarin de reikwijdte van het Verleningsbesluit zo is uitgelegd dat derdelanders daar niet onder vallen en hun bescherming op grond van de RTB per 4 maart 2024 van rechtswege is geëindigd. Deze motivering kan niet volstaan. De rechtbank stelt vast dat de tekst van artikel 1 van het Verlengingsbesluit voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Zo maakt deze tekst niet duidelijk of de zinsnede “de tijdelijke bescherming die wordt verleend aan ontheemden” moet worden opgevat als een verwijzing naar de personen die op dit moment tijdelijke bescherming ontvangen, zoals eiser stelt, of als een verwijzing naar de categorieën mensen als bedoeld in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit waarvoor de tijdelijke bescherming op dit moment wordt toegepast, zoals de staatssecretaris stelt. De rechtbank ziet in de beroepsgronden van eiser namelijk duidelijke argumenten voor een interpretatie van het Verlengingsbesluit zoals eiser die voorstaat. Nu concrete aanknopingspunten van de zijde van de staatssecretaris ontbreken ter ondersteuning van het standpunt dat zijn interpretatie de juiste is, is sprake van een motiveringsgebrek. Bij deze stand van zaken kan de vaststelling van de staatssecretaris dat de tijdelijke bescherming van eiser op grond van de RTB van rechtswege is geëindigd op 4 maart 2024, geen standhouden. Gelet op de redenen voor twijfel aan de juistheid van de uitleg van het Verlengingsbesluit door de staatssecretaris houdt de rechtbank het er thans voor dat de tijdelijke bescherming van eiser niet van rechtswege is geëindigd op 4 maart 2024, maar eerst eindigt op 4 maart 2025. Omdat er thans onduidelijkheid bestaat en het de uitleg van Unierecht betreft, heeft de rechtbank zich gebogen over de vraag of er aanleiding bestaat aan het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële vragen te stellen. De rechtbank acht dit niet opportuun nu de bescherming op grond van het Verlengingsbesluit en de RTB eindigt op 4 maart 2025 en de kans zeer gering is dat het Hof voor die datum de vragen zal kunnen beantwoorden. In deze zaak wordt niet voldaan aan de strenge voorwaarden voor een spoedprocedure of versnelde procedure en na het verstrijken van de termijn zal het procesbelang aan het beantwoorden van de vragen komen te ontvallen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
