ECLI:NL:RBDHA:2024:10402
Rechtbank Den Haag · 21-06-2024 · zaaknummer AWB 24/10262
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft verzoekster meegedeeld dat zij op 31 mei 2024 zal worden uitgezet naar Armenië. Op 30 mei 2024 dient verzoekster een aanvraag in om toepassing van artikel 64 van de Vw. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken dat het voor verzoekster, gelet op haar gezondheidstoestand, onverantwoord zou zijn om te reizen en de uitzetting naar Armenië om die reden achterwege zou moeten blijven. Er is geen reden om het BMA weer om advies te vragen en verweerder heeft de aanvraag om uitstel van vertrek afgewezen. Verzoekster maakt tegen dit besluit bezwaar. Uit berichtgeving van verweerder blijkt dat de uitzetting van verzoekster op 31 mei 2024 is mislukt omdat zij weigerde een stukje tot waar haar rolstoel maximaal kan komen tot aan haar passagiersstoel te lopen. Een volgende uitzetting van verzoekster is gepland op 22 juni 2024. Op 20 juni 2024 dient verzoekster een verzoek in en vraagt verweerder te verbieden haar uit te zetten zolang nog niet op het bezwaar is beslist. Aan haar verzoek heeft verzoekster ten grondslag gelegd dat haar medische situatie sinds het laatste BMA-advies sterk is gewijzigd; ze gebruikt andere medicatie en ook is haar cognitieve toestand sinds het laatste BMA-advies verslechterd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster geen wezenlijk andere medische informatie heeft overgelegd dan tot nu toe bekend is en waarover het BMA eerder advies heeft uitgebracht. Verweerder heeft aan het BMA gevraagd om te adviseren over de nieuwe medicatie van verzoekster. In een aanvullende nota van 21 juni 2024 heeft het BMA aangegeven dat deze medicatie of een gelijkwaardig alternatief in Armenië beschikbaar is. Dat sprake zou zijn van cognitieve achteruitgang, persoonlijkheidsproblematiek en een depressie is niet met medische stukken onderbouwd. Ten aanzien van de nierfunctie van verzoekster heeft de behandelend arts aangegeven dat deze is gestabiliseerd en is verbeterd. De behandelend arts heeft aangegeven dat er vanuit medisch perspectief er geen reden is om verzoekster niet uit te zetten. Voorts heeft verweerder toegelicht dat de uitzetting van verzoekster met de grootste zorgvuldigheid is omkleed. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft en heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[verzoekster]
verzoekster · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
