ECLI:NL:RBDHA:2022:9136
Rechtbank Den Haag · 18-07-2022 · zaaknummer NL22.11540 en NL22.11541
Inhoudsindicatie
Eiser heeft aan de asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij geen moslim meer is en vreest te worden gedood bij terugkeer in Iran. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze gestelde afvalligheid van de islam niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft wisselend en tegenstrijdig verklaard over het moment dat hij twijfels kreeg over de islam en wat zijn motief was om van zijn geloof te vallen. Wel volgt de rechtbank het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij zich niet heeft verdiept in zijn religie (de islam) voordat hij zich daarvan heeft afgewend. Uit zijn verklaringen blijkt immers dat de kennis van de islam in zijn geval geen rol heeft gespeeld bij zijn afwending. Gelet op alle overige tegenwerpingen is dit echter onvoldoende om het beroep gegrond te verklaren.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
