ECLI:NL:RBDHA:2022:8863
Rechtbank Den Haag · 25-08-2022 · zaaknummer NL22.15742
Inhoudsindicatie
Hoewel nog niet vaststaat of het Unierecht de rechtbank verplicht ambtshalve deze rechtmatigheid te toetsen, en zo ja, hoe die toetsing er dan uit zou moeten zien, hanteert de rechtbank, in het licht van de verwijzingsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3034) hierover de volgende lijn. Als de rechtbank zich ten volle bewust is van het feit dat de maatregel onrechtmatig is, dat de vreemdeling als gevolg daarvan ten onrechte van zijn vrijheid is beroofd en dat deze situatie zal voortduren, zal zij deze onrechtmatigheid in haar oordeel betrekken, ook als daar geen grond tegen is gericht. In deze zaak is van een dergelijke onrechtmatigheid echter niet gebleken. Verder is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd en dat de staatssecretaris voortvarend handelt.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
