ECLI:NL:RBDHA:2022:6267
Rechtbank Den Haag · 20-06-2022 · zaaknummer NL21.14951
Inhoudsindicatie
Aan de vreemdeling is subsidiaire bescherming verleend als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. De vreemdeling is het daar niet mee eens omdat hij van mening is dat de staatssecretaris hem ten onrechte heeft geregistreerd als zijnde ‘’van onbekende nationaliteit’’. Volgens de vreemdeling had de staatssecretaris hem moeten aanmerken als staatloos. In zijn optiek had hem als staatloos Palestijn afkomstig uit Syrië dan wel vanwege zijn ontduiking van de dienstplicht de vluchtelingenstatus in plaats van de subsidiairebeschermingsstatus verleend moeten worden. Hij stelt zich op het standpunt dat hij als erkend vluchteling en als staatloos geregistreerde in een gunstiger positie komt te verkeren en er daardoor belang bij heeft om door te procederen. De rechtbank legt in deze uitspraak uit waarom zij dit anders ziet en het beroep niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
