ECLI:NL:RBDHA:2022:4975
Rechtbank Den Haag · 19-05-2022 · zaaknummer AWB-21_2933
Inhoudsindicatie
Beroep gegrond. Uit de Verblijfsrichtlijn volgt dat de vertrektermijn minimaal één maand moet zijn. De rechtbank legt een maand uit als 30 dagen. De standaard vertrektermijn van vier weken, zijnde 28 dagen, zoals bepaald in artikel 62, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 is daarmee een onjuiste implementatie van de Verblijfsrichtlijn is en moet buiten toepassing worden gelaten. De rechtbank voorziet zelf in de zaak, herroept het primaire besluit en bepaalt dat de vertrektermijn 30 dagen bedraagt.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
