ECLI:NL:RBDHA:2022:4563
Rechtbank Den Haag · 11-04-2022 · zaaknummer NL21.19384
Inhoudsindicatie
Eiser stelt dat de vertrektermijn van vier weken, die in artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) staat vermeld, in strijd is met Richtlijn 2004/38. Eiser voert hiertoe aan dat de vertrektermijn ‘minimaal een maand’ dient te zijn. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe het eerstgenoemd artikel moet worden uitgelegd. In artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38 staat dat de vertrektermijn waarbinnen een betrokkene het grondgebied van de lidstaat moet verlaten niet korter mag zijn dan een maand na de datum van kennisgeving, dringende gevallen daargelaten. De Richtlijn definieert het begrip ‘een maand’ niet nader. De rechtbank stelt verder vast dat de jurisprudentie van de lagere rechtspraak niet eenduidig is met betrekking tot de vraag of de termijn van een maand uit artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38 juist is geïmplementeerd in artikel 62, eerste lid, van de Vw. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich hierover tot op heden niet uitgelaten. Dit brengt de rechtbank ertoe om de vraag in kwestie te beantwoorden aan de hand van het doel en het nuttig effect van artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38. De rechtbank begrijpt de bepaling van ‘een maand’ aldus, dat deze termijn ten minste nodig is om een vreemdeling in staat te stellen om diens verblijf in een lidstaat daadwerkelijk en effectief te beëindigen. De Nederlandse wetgever heeft de termijn van een maand in de nationale regelgeving ‘vertaald’ naar vier weken. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen wezenlijk verschil tussen een (kalender?)maand en een termijn van vier weken. Binnen beide termijnen moet een vreemdeling namelijk in staat worden geacht om diens daadwerkelijke en effectieve vertrek uit Nederland te kunnen regelen. De termijn van vier weken van artikel 62, eerste lid, van de Vw doet dan ook geen afbreuk aan het doel en nuttig effect dat artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38 beoogt te garanderen. Van een onjuiste implementatie van artikel 30, derde lid, van Richtlijn 2004/38 in artikel 62, eerste lid, van de Vw is dan ook geen sprake.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
[eiser]
eiser · onbekend
Overheidspartijen
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
