ECLI:NL:RBDHA:2022:4121
Rechtbank Den Haag · 13-04-2022 · zaaknummer NL22.5788
Inhoudsindicatie
Eiser voert verder aan dat hij nog in de asielprocedure zit. Hij wil het door hem ingestelde hoger beroep in Nederland kunnen afwachten. Verweerder had dit moeten betrekken bij de vraag kon worden volstaan met de oplegging van een lichter middel. Anders dan zittingsplaats ’s-Hertogenbosch op 19 april 2021 (NL21.5216 en NL21.5248) heeft geoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet bij de beoordeling behoefde te betrekken dat eiser hoger beroep heeft ingesteld bij de Afdeling tegen de ongegrondverklaring van zijn beroep in de asielprocedure. Het hoger beroep heeft namelijk geen schorsende werking. Dat eiser een verzoek om een voorlopige voorziening zou kunnen indienen bij de Afdeling, maakt dat niet anders. Niet is gebleken dat eiser een dergelijk verzoek heeft ingediend. Verder leidt een dergelijk verzoek eerst tot schorsende werking als het is toegewezen. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat ten aanzien van eiser een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Dit mag verweerder zwaar in het nadeel van eiser meewegen, waarbij veel gewicht toekomt aan het feit dat eiser zich niet aan de hem opgelegde vertrekplicht heeft gehouden. Verder is eiser voorafgaand aan de oplegging van de maatregel gehoord en is hij erop gewezen dat hij feiten en omstandigheden kan aanvoeren die tot de toepassing van een lichter middel zouden moeten leiden. Eiser heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet aangevoerd. Ten aanzien van de grond dat sprake is van een geplande inbewaringstelling en verweerder, gelet daarop, onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, oordeelt de rechtbank dat de Afdeling eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RVS:2009:BK2265 en ECLI:NL:RVS:2014:3597) dat een geplande inbewaringstelling een bijzondere omstandigheid vormt die ertoe noopt bepaalde handelingen ter voorbereiding van de uitzetting of overdracht van een vreemdeling sneller te verrichten of achterwege te laten. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:989) geoordeeld dat een eerste daadwerkelijke handeling die op dag zes van de bewaring is verricht, in het algemeen bij geplande bewaring voldoende voortvarend is. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn hiervan af te wijken zodat een langere dan wel kortere periode geldt. Verweerder heeft op de tweede dag van de bewaring een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Dat is voldoende voortvarend.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
In deze zaak is een overheidspartij. De openbare publicatie koppelt een advocaat niet aan een proceszijde. Daarom staat bij de advocaat geen label "overheid" of "beide partijen": die koppeling staat niet in de bron.
Partijen
[eiser]
eiser · onbekend
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder · overheid
Overheidspartijen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
verweerder
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
